werkwoorden in beeld

Voor mijn leerlingen!

Hier zien jullie telkens 3 tekeningen (=plaatjes, “foto’s”) naast elkaar op één rij. Er zijn 6 rijen hier op de plaat. Probeer van elke tekening zoveel mogelijk te vertellen. Hieronder staan zinnen die je zou kunnen zeggen. Het is goed deze zinnen vaak te oefenen. Je leert zo goed vertellen wat je doet. Je leert werkwoorden gebruiken.
Probeer over een tijdje ook nog eens iets te vertellen in de verledentijd (=vroeger, gisteren). Of probeer het voltooid deelwoord (het “ge-woord”) te gebruiken, bijvoorbeeld: de jongen heeft zijn tanden gepoetst.
Je kunt ook doen alsof jijzelf op het plaatje staat, bijvoorbeeld: Ik poets mijn tanden. Ik heb mijn tanden gepoetst.

werkwoordeninbeeld

1e rij, van links naar rechts:
1)
De jongen / hij poetst zijn tanden.
De jongen draagt een blauw t-shirt.
Er ligt tandpasta voor hem.
De jongen heeft een beker. De jongen houdt een beker vast.
2)
Het jongetje zit op de rekstok.
Het jongetje speelt op de rekstok.
De jongen draagt blauwe schoenen.
De jongen heeft een wit t-shirt aan.
3)
De man / de jongen kleedt zich aan.
De man doet een truin aan.
De trui van de man is geel.
De man heeft ook een spijkerbroek.
De man heeft de spijkerbroek (nog) niet aan.
De man draagt een onderbroek.

2e rij van links naar rechts:
1)
De jongen gaat naar school
De jongen draagt een rugtas.
De jongen draagt een gele trui en een licht bruine broek.
De broek is een korte broek.
De jongen heeft donker haar en bruine schoenen.
De jongen draagt bruine schoenen.
2)
De man ligt in bed.
De man slaapt.
Het bed is blauw.
Wat ligt er naast het bed?
Ligt er een knuffelbeer in bed?
3)
Twee jongens koken eten.
De jongen links kookt in een pan.
De jongen rechts heeft iets op een bord.
Welke kleuren t-shirts dragen de jongens?

3e rij van links naar rechts:
1)
Drie kinderen spelen. Drie kinderen kaarten.
Zij spelen met een kaartspel.
Eén jongen is boos.
Wat voor kleren dragen de jongens?
2)
Twee jongens spelen voetbal.
Eén jongen ligt op de grond.
De jongens dragen sportkleding.
Welke kleuren heeft de kleding?
3)
Het meisje speelt blokfluit.
Het meisje maakt muziek.
Het meisje heeft twee vlechten in het haar.
Wat voor kleur haar heeft het meisje?
Wat kan je vertellen over de kleding van het meisje?

4e rij van links naar rechts:
1)
De jongen rent.
De jongen loopt hard.
De jongen heeft kort, zwart haar.
De jongen heeft een roze korte broek en een wit t-shirt aan.
Wat draagt de jongen aan zijn benen en voeten?
2)
Het kind zit aan de tafel.
Het kind schrijft.
Slaapt het kind?
Welke kleding draagt het kind?
Wat voor haren heeft het kind?
Is het kind een jongen of een meisje?
3)
Er ligt iemand in bad.
Kan je ook zien wie er in bad ligt?
Wat hangt er boven het bad?

5e rij van links naar rechts:
1)
Er staat iemand onder de douche.
Staat er een man of een vrouw onder de douche?
Wat doet de man of vrouw onder de douche?
2)
De jongen zet twee zakken op straat.
Welke kleuren hebben de zakken?
Wat draagt de jongen?
Wat zit er in de zakken, denk je?
3)
De jongen is aan het bellen.
De jongen telefoneert.
Wat heeft de jongen in de hand?
Hoe ziet de jongen er uit?

6e rij van links naar rechts:
1)
De jongen loopt met de hond.
De jongen laat de hond uit.
Wat moet de hond doen, denk je?
Wat heeft de jongen nog meer in zijn hand?
2)
De mevrouw wast haar haren.
De mevrouw wast haar haren boven de wasbak.
Wat gebruikt de mevrouw bij het wassen?
3)
De jongen wast zijn handen boven de gootsteen.
Misschien doet de jongen de afwas?
Wat hangt er boven de gootsteen aan de muur?
Waar in huis is de gootsteen?

modale werkwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

Ik geef jullie hier nog een paar handige zinnen met de modale werkwoorden kunnen, mogen, moeten, willen, en zullen erin.

De werkwoorden in de zinnen heb ik vet gemaakt. Let goed op de plaats van de werkwoorden in de zin.

Leer ze goed en herhaal ze vaak!
Je kunt deze zinnen ook heel goed gebruiken in een brief, een e-mail of een kaartje! Het zijn dus belangrijke zinnen!
De laatste zinnen kan je ook goed onderweg, in de stad of in de tram gebruiken.

Ik wil graag een afspraak maken.
Ik kan niet op de vrijdag komen.
Wanneer kunt u met mij praten?
Ik kan volgende week maandag en woensdag bij u komen.
Op welke dag en hoelaat kunt u met mij praten?
Ik wil graag een paar dingen vragen.
Mag ik u wat dingen vragen?
Kan
ik u een paar dingen vragen?
Mag
ik u volgende week/morgen/vrijdag bellen?
Kan
ik u donderdag bellen?
Mag
ik een afspraak met u maken?

Wilt u mij snel antwoorden?
Wilt u mij snel antwoord geven?
Kunt u mij morgen of overmorgen antwoorden?
Kunt u mij volgende week bellen?
Wilt u mij volgende week bellen?
Wilt u mij met dat probleem helpen?
Kunt u mij met de computer helpen?

Zullen we volgende week gaan winkelen?
Zullen we morgen samen iets gezelligs gaan doen?
Zullen
we donderdag iets leuks afspreken?
Zullen
we zaterdag naar de stad gaan?
Wil
jij morgen met mij naar de film/bioscoop/theater/stad?
Kan jij morgen bij mij langskomen?
Waar zullen we afspreken?

En nog een paar zinnen voor onderweg, in de stad:

Dag mevrouw, mag ik hier gaan zitten?
Sorry meneer, mag ik hier alstublieft zitten?
Oh mevrouw, wilt u hier misschien zitten?
Mevrouw, kan ik u misschien helpen?
Meneer, zal ik u even helpen?
Mevrouw, kunt u deze 5 euro misschien wisselen in munten?
Mag ik deze jurk ruilen, de kleur is fout?
Kan ik deze broek ruilen, hij is te klein?
Dag meneer, mag ik u iets vragen?
Dag mevrouw, kunt u mij zeggen, waar de tramhalte voor lijn 6 is?

Wil je nog meer zinnen leren of herhalen met modale werkwoorden, klik dan op deze link.

oefenen met 4 werkwoorden -5

Voor mijn leerlingen!

We gaan oefenen met de werkwoorden:

(zich) wassen
ik was (mij)
jij wast (je)
was jij (je)?
hij/zij wast (zich)
wij wassen (ons)
jullie wassen (je)
zij (mv) wassen (zich)
ik heb (mij) gewassen
verledentijd:
ik waste/wij wasten
bakken
ik bak
jij bakt
bak jij?
hij/zij bakt
wij bakken
jullie bakken
zij (mv) bakken
ik heb gebakken
verledentijd:
ik bakte/wij bakten
snijden
ik snijd
jij snijdt
Snijdt jij?
hij/zij snijdt
wij snijden
jullie snijden
zij (mv) snijden
ik heb gesneden
verledentijd:
ik  sneed/wij sneden
schijnen
ik schijn
jij schijnt
schijn jij?
hij/zij schijnt
wij schijnen
jullie schijnen
zij (mv) schijnen
de maan heeft geschenen
verledentijd:
ik scheen/wij schenen

– vanaf nu leren we ook de verledentijd en het voltooid deelwoord erbij!;
– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken!
– Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in;
– lees de oefening daarna een paar keer rustig (!!) door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul de juiste vorm in van het werkwoord (ZICH) WASSEN:

Ik _______ mijn haren.
De hulp _________ de lakens.
De man _________   ____________ voor het gebed.
Wij ____________   ____________ allemaal in de badkamer.
Ik ________ ______ vanochtend heel goed ge_________.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord BAKKEN:
De bakker _________ het brood.
Wij ___________ zelf ons brood.
Mijn zusje _____________ graag taart.
Vader _____________ een eitje.
Duitsers ______________ heel veel.
Ik _________ een cake ge__________.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord SNIJDEN:
De slager __________ het vlees.
Moeder _____________ het brood.
Wij __________ de pizza in zes stukken.
Ik _________ de groente ge____________.
Zi j__________  een stuk van de bloemenstengel.
De man ___________ het tapijt op maat.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord SCHIJNEN:
De zon ______________ veel in de zomer.
De maan ______________ alleen ’s nachts.
De lampen _____________ boven de straat.
Gisteren __________ de zon ge____________.
Ik ____________ met mijn lamp in het donker.

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

zwakke werkwoorden in de verledentijd

Voor mijn leerlingen!

We gaan dit keer zinnen maken in de verledentijd (=vroeger). We maken zinnen met alleen maar zwakke werkwoorden.
Wil je wat meer leren over zwakke werkwoorden of wil je weten hoe je gemakkelijk een juiste verledentijd van een zwak werkwoord kan maken, dan kun je hier meer lezen.

Probeer nu de zinnen te maken. De woorden staan door elkaar. Let dus goed op de volgorde bij het maken van een zin.

Voorbeeld:
0) chatten – vriendin – gisteren
Gisteren chatte ik met een vriendin in Amerika.________________

1) vorige week – botsen – twee auto’s

________________________________________________________

2) de hond van de buren – blaffen – gisteren – hele dag

________________________________________________________

3) werken – vorig jaar – groot bedrijf

________________________________________________________

4) gisteren – leren – twee uur

________________________________________________________

5) spelen – vorige week – in de tuin

________________________________________________________

6) mailen – vorige maand – sollicitatie

________________________________________________________

7) afgelopen donderdag – betalen – rekening

________________________________________________________

8) schaatsen – vorig jaar – elfstedentocht

________________________________________________________

9) vroeger – reizen – verre landen

________________________________________________________

10) vanochtend – bushalte – wachten

________________________________________________________

11) vorig jaar – mijn neef – trouwen – Marokko

________________________________________________________

12) gisteren – huilen – pijn

________________________________________________________

13) examen – vorig jaar – slagen – mijn vriendin

________________________________________________________

14) vorige maand – zakken – inburgering

________________________________________________________

15) vanochtend – auto – stoppen – zeebrapad

________________________________________________________

16) vroeger – papieren – bewaren

________________________________________________________

17) school – gistermiddag – mijn zusje – halen

________________________________________________________

Als je de zinnen gemaakt hebt, geef ze dan aan mij. Ik kijk ze graag voor je na!
Was het moeilijk? Maak ze dan over een tijdje nog eens weer opnieuw. Gebruik dan ook eens andere woorden in de zin. Door veel te oefenen, maak je steeds minder fouten bij het schrijven van woorden en zinnen. Veel succes!

 

‘T KoFSCHiP

Voor mijn leerlingen!

De ‘regel’ van ‘T KoFSCHiP

– noemen we een ezelsbruggetje (=helpt om iets niet te vergeten).
– gebruik je bij het maken van de verleden tijd (=vroeger) van zwakke werkwoorden.
– zegt je of zo’n verleden tijd moet eindigen op -te(n) of -de(n) en een voltooid deelwoord (= ook wel het “ge-woord”) moet eindigen op een -t of een -d.

Een zwak werkwoord is een werkwoord dat in de verledentijd op -te(n) of -de(n) eindigt en waarvan het voltooid deelwoord niet op -en eindigt.
Geen probleem, als je nu niet weet welk werkwoord een zwak werkwoord is. Dat komt vanzelf als je het meer gebruikt!

Voorbeelden van een zwak werkwoord in (1) de verleden tijd en (2) voltooide tijd (dus met een voltooid deelwoord) zijn:
wonen
1) Vorig jaar woonde ik nog in Somalië (verledentijd)
2) Vroeger heb ik in Somalië gewoond (voltooide tijd met voltooid deelwoord)
luisteren
1) Vorige week luisterden wij samen naar de radio. (verledentijd)
2) Wij hebben vroeger veel muziek geluisterd (voltooide tijd met deelwoord)
koken
1) Gisteren kookte Zamzam lekker eten. (verledentijd)
2) Vorige week heeft Asma lekker gekookt. (voltooide tijd met voltooid deelwoord)

De medeklinkers die je ziet in het woord: ’t KoFSCHiP zijn
de T, K, F, S, CH en P.

Doe nu het volgende en gebruik de regel:
1) Kijk naar het hele werkwoord, dus: wonen, luisteren of koken.
2) Haal van het hele werkwoord -en af. Dan blijft er won, luister, en kok over. Dat noemen we “de stam” van het werkwoord.
3) Kijk of de laatste letter van deze stam één van de medeklinkers uit ’t kofschip is?
Is het antwoord ja, dan krijgt de uitgang van het werkwoord in de verledentijd -te(n) en eindigt het voltooid deelwoord dus ook op een t.
Is het antwoord nee, dan krijgt de uitgang van het werkwoord in de verledentijd -de en eindigt het voltooid deelwoord daarom ook op een d.

Even oefenen:
Waarom is de verledentijd van wonen dus woonde(n)?
Omdat de stam won eindigt op de medeklinker N en deze niet in ’t Kofschip staat.
Waarom is het voltooid deelwoord van luisteren dus geluisterd?
Omdat de stam luister eindigt op de medeklinker R en deze niet in ’t Kofschip staat.
Waarom is de verledentijd van koken dus kookte(n)?
Omdat de stam kok eindigt op de medeklinker K en deze wél in ’t Kofschip staat!

Opdracht:
Maak nu van de volgende zwakke werkwoorden de verleden tijd en het voltooid deelwoord.
Als je telkens de nieuwe woorden uit jullie eerste -oranje- boek goed geleerd hebt, dan ken je alle werkwoorden nog en weet je dus wat ze betekenen. Wanneer je het niet meer weet, zoek dan de betekenis nog eens op of vraag het aan mij!

chatten – botsen – miauwen – blaffen – werken – leren – spelen – mailen – skiën (let op!) – schaatsen – betalen (let op!) – reizen – wachten – trouwen – instappen (let op!) – huilen – slagen – zakken – mislukken (let op!) – stoppen – weggooien (let op!) – bewaren (let op!) – halen – dooien.

Heel veel succes!
Als je de opdracht gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!

oefenen met 4 werkwoorden -4

Voor mijn leerlingen!

We gaan oefenen met de werkwoorden:

kijken
ik kijk
jij kijkt
kijk jij?
hij/zij kijkt
wij kijken
jullie kijken
zij (mv) kijken
dragen
ik draag
jij draagt
draag jij?
hij/zij draagt
wij dragen
jullie dragen
zij (mv) dragen
koken
ik kook
jij kookt
kook jij?
hij/zij kookt
wij koken
jullie koken
zij (mv) koken
afwassen
ik was af
jij wast af
was jij af?
hij/zij wast af
wij wassen af
jullie wassen af
zij (mv) wassen af

– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken!
– Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in, dus bijvoorbeeld: ik kijk, wij dragen, het meisje kookt, de vrouwen wassen af;
– lees de oefening daarna een paar keer rustig (!!) door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul de juiste vorm in van het werkwoord KIJKEN:
Hoe laat _______________ jij altijd TV??
Ik _____________ ’s avonds om 20.00 uur TV.
Waarom _______________ jullie zo veel TV?
Wij __________ veel TV omdat wij veel tijd hebben.
Welke programma’s op TV ______ Nadia graag?
Nadia ___________ graag naar detectives op TV.
Waarom _________ jouw zus zo boos?
Mijn zus __________ boos omdat zij kwaad is.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord DRAGEN:
Waarom ___________ jij een muts vandaag?
Ik ____________ een muts omdat het koud is.
_____________ jullie altijd sokken?
Nee, wij ___________ alleen sokken inde winter.
____________ jouw zusje al lang een hoofddoek?
Ja, mijn zusje ___________ al jaren een hoofddoek!.
Waarom ____________ zij die zware tas?
Zij __________ die zware tas omdat haar man moeilijk loopt.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord KOKEN:
___________ jij altijd voor de familie?
Nee, ik ____________ alleen voor de familie als moeder weg is.
Waarom _________ jullie zo vaak pasta?
Wij ____________ vaak pasta omdat het lekker is!
Wanneer _________ moeder deze week?
Moeder __________ deze week op de vrijdag.
Wat voor eten ________ jij het liefst?.
Ik _________ het liefst rijst met kip.
Waneer ________ wij weer eens samen?
Wij _________ weer samen als het feest is.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord AFWASSEN:
________ jij altijd af na het eten?
Nee, soms ________ ik niet af omdat ik geen zin heb.
__________ jullie de kopjes even af?
Nee, wij ________ nu geen kopjes af!
Waarom ________ moeder de afwas niet af?
Moeder ________ de afwas niet af omdat zij eerst wil rusten.
________ jouw zus graag een grote afwas af?
Neen, mijn zus ________ helemaal niet graag af!
Wie _______ er bij jullie thuis altijd af?
Mijn man ________ altijd af bij ons thuis.

Als dit heel gemakkelijk gaat, maak dan nog eens twee zinnen met elk van de werkwoorden. Geef de zinnen aan mij en ik kijk ze voor je na!

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

oefenen met 4 werkwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

We gaan deze keer oefenen met de werkwoorden:

hangen
ik hang
jij hangt
hang jij?
hij/zij hangt
wij hangen
jullie hangen
zij (mv) hangen
verwijderen
ik verwijder
jij verwijdert
verwijder jij?
hij/zij verwijdert
wij verwijderen
jullie verwijderen
zij (mv)verwijderen
zitten
ik zit
jij zit
zit jij?
hij/zij zit
wij zitten
jullie zitten
zij (mv) zitten
zien
ik zie
jij ziet
zie jij?
hij/zij ziet
wij zien
jullie zijn
zij (mv) zien

– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken! Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in, dus bijvoorbeeld: ik hang, wij verwijderen, het meisje zit, de vrouwen zien;
– lees de oefening daarna een paar keer door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul een werkwoordvorm in van HANGEN:
Ik ________ mijn jas aan de kapstok.
Hij _________ de sleutel in het sleutelkastje.
Morgen ____________ de mannen de schilderijen aan de wand.
De spiegel ________ boven de wasbak in de WC.
___________ jullie je tassen even aan de haak?
De schommel __________ aan een houten balk.

Vul een werkwoordsvorm in van VERWIJDEREN:
_______________ jij het oude bestand van de PC?
Dat formulier is oud. ____________ jij het uit de map?
De man ______________ alle vuil van de straat.
Na de herfst _______________ wij de bladeren uit de tuin.
De hulp _____________ de rotte groente uit de koelkast.

Vul een werkwoordsvorm in van ZITTEN
De kinderen _____________ op de basisschool.
Het vogeltje __________ in de tuin op een boomtak.
In welke groep _________ jouw zusje?
Wij ___________________ allemaal op de bank te praten.
__________________ jullie vaak buiten in de tuin?
Moeder is weg. Waar ___________ ze nu?

Vul een werkwoordsvorm in van ZIEN
Wij ______________ door de bomen het bos niet meer!
Het meisje ____________ er niet uit! Haar haren zitten in de war.
___________ jij het goed? Of zit ik ervoor?
Ik __________ alles, ik zit op de eerste rij.
_____________ jullie dat programma op TV ook altijd?
De vrouw ____________ slecht. Ze draagt een zware bril.
De mensen ____________ niets, het is pikkedonker

Als dit heel gemakkelijk gaat, maak dan nog eens twee zinnen met elk van de werkwoorden. Geef de zinnen aan mij en ik kijk ze voor je na!

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

oefenen met 4 werkwoorden -2

Voor mijn leerlingen!

We gaan deze keer oefenen met de werkwoorden:

noemen
ik noem
jij noemt
noem jij?
hij/zij noemt
wij noemen
jullie noemen
zij (mv) noemen
lopen
ik loop
jij loopt
loop jij?
hij/zij loopt
wij lopen
jullie lopen
zij (mv) lopen
staan
ik sta
jij staat
sta jij?
hij/zij staat
wij staan
jullie staan
zij (mv) staan
liggen
ik lig
jij ligt
lig jij?
hij/zij ligt
wij liggen
jullie liggen
zij (mv) liggen

– wanneer je de werkwoorden hierboven hebt geleerd, probeer je de oefening hieronder te  maken, kijk niet meer naar de werkwoorden hierboven!;
– maak zinnen met de volgende woorden;
– gebruik in elke zin de juiste (=goede) vorm van het werkwoord, dus bijvoorbeeld: ik loop, wij staan, het meisje ligt, de vrouwen noemen;
let op de volgorde van de woorden in een vraagzin (=?)
– een zin moet een vraagzin worden als er een vraagteken (=?) achter de woorden staat;
let ook op het gebruiken van de woorden in, met, naar, op, bij.

voorbeeld:
1. ik, (noemen), grote jongen, Ahmed
Ik noem de grote jongen Ahmed______________________________________
2. Hoe, je, (noemen), gele bloem, ?
_____________________________________________________________
3. ouders, (noemen), dochter, Anna
_____________________________________________________________
4. man, (lopen), straat
_____________________________________________________________
5. kinderen, (lopen), school
_____________________________________________________________
6. meisje, (lopen), regen
_____________________________________________________________
7. vrouw, (staan), bushalte
_____________________________________________________________
8. jongen, (staan), in de rij, kassa
_____________________________________________________________
9. bloemen, (staan), vaas.
_____________________________________________________________
10. boek, (liggen), tafel
_____________________________________________________________
11. zieke vrouw, (liggen), bed
_____________________________________________________________
12. sokken, (liggen), kast _____________________________________________________________

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

oefenen met 4 werkwoorden

Voor mijn leerlingen!

We gaan oefenen met de werkwoorden:

schrijven
ik schrijf
jij schrijft
schrijf jij?
hij/zij schrijft
wij schrijven
jullie schrijven
zij(mv) schrijven
luisteren
ik luister
jij luistert
luister jij?
hij/zij luistert
wij luisteren
jullie luisteren
zij(mv) luisteren
spreken
ik spreek
jij spreekt
spreek jij?
hij/zij spreekt
wij spreken
jullie spreken
zij (mv) spreken
lezen
ik lees
jij leest
lees jij?
hij/zij leest
wij lezen
jullie lezen
zij (mv) lezen

– als je de werkwoorden hierboven hebt geleerd, probeer dan de volgende oefening te maken. Kijk niet meer naar de werkwoorden hierboven;
– maak zinnen met de volgende woorden;
– gebruik in elke zin de juiste (=goede) vorm van het werkwoord, dus bijvoorbeeld: ik luister, wij schrijven, het meisje spreekt, de vrouwen lezen;
– let op de volgorde van de woorden in een vraagzin (=?)
– een zin moet een vraagzin worden als er een vraagteken (=?) achter de woorden staat;
– let ook op het gebruiken van de woorden in, met, naar.

voorbeeld:
1. ik (schrijven), boek
Ik schrijf een boek_____________________________________________
2. meisje, (schrijven), schrift
__________________________________________________________
3. hij, (schrijven), pen, ?
__________________________________________________________
4. wij, (luisteren), CD
__________________________________________________________
5. zij (mv.), (luisteren), radio
__________________________________________________________
6. jullie, (luisteren), muziek, graag, ?
__________________________________________________________
7. vrouwen, (spreken), Somalisch
__________________________________________________________
8. buitenlander, (spreken), Nederlands, ?
__________________________________________________________
9. veel Nederlanders, (spreken), Engels, ook. (let op de volgorde van de woorden!!)
__________________________________________________________
10. hij, (lezen), bibliotheek
__________________________________________________________
11. de man, de vrouw, (lezen), krant, samen (let op de volgorde van de woorden!!)
__________________________________________________________
12. de vrouw, (lezen), boek, ’s avonds (let op de volgorde van de woorden!!)
__________________________________________________________

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

modale werkwoorden -2

Voor mijn leerlingen!

Zinnen maken met een van de modale werkwoorden: willen, moeten, kunnen, mogen, zullen.
– Gebruik ook nog een tweede werkwoord in de zin.
– Gebruik de verschillende werkwoordvervoegingen, dus: ik, jij, hij/zij, wij, jullie, zij (mv).
Onderstreep alle werkwoorden in de zin. Let goed op de plaats van de werkwoorden in de zin.
De zin hoeft niet waar te zijn. Als de zin maar goed Nederlands is.
Gemaakte oefeningen kan je aan mij geven, dan kijk ik ze na.
Je kan de oefening ook later nog eens opnieuw maken, hoe meer je oefent, hoe beter!

Wil je eerst nog iets leren of herhalen over de modale werkwoorden, klik dan op deze link.

Voorbeeld:
1. willen – boek
Ik wil een boek lezen.

2. willen – Nederlands
_____________________________________________________________________________
3. willen – boodschappen
_____________________________________________________________________________
4. moeten – boek
_____________________________________________________________________________
5. moeten – Nederlands
_____________________________________________________________________________
6. moeten – zinnen
_____________________________________________________________________________
7. kunnen – goed
_____________________________________________________________________________
8. kunnen – mooi
_____________________________________________________________________________
9. kunnen – snel
_____________________________________________________________________________
10. mogen – op straat
_____________________________________________________________________________
11. mogen – een nieuwe jurk
_____________________________________________________________________________
12. mogen – met de trein
_____________________________________________________________________________