modale werkwoorden -5

Voor mijn leerlingen!

We gaan nog even weer oefenen met het gebruik van modale werkwoorden. Het goed gebruiken van modale werkwoorden kan je ook goed helpen bij het schrijven van e-mails en brieven. Hier kan je nog weer even herhalen welke modale werkwoorden er zijn en wat ze doen in een zin.

Hieronder komen een aantal zinnen. Het zijn best moeilijke zinnen, dus neem rustig de tijd!
Veel succes!

1. Het slachtoffer ___________ snel naar het ziekenhuis, want hij is heel ernstig gewond!
2. Moet jij niet naar jouw afspraak nu? Nee, ik ___________ niet naar de afspraak. Ik heb de afspraak verzet.
3. De secretaresse __________ graag een afspraak voor haar baas maken, maar ze ________  niemand bereiken.
4. Nadia ___________ heel graag naar de toneelschool, want ze ____________ later actrice worden.
5. Wanneer je arts wilt worden, _____________ je aan de universiteit studeren.
6. Moeten wij naar dat feest? Nee hoor, je __________ niet naar het feest. Je _______ gaan, als je zin hebt.
7. “______________ wij vanmiddag iets leuks gaan doen?”, vroeg de vrouw aan haar vriendin.
8. Ik ________ niet aanwezig zijn bij de vergadering, want ik ____________ naar het ziekenhuis.
9. Moet jij morgen ook bij dat gesprek aanwezig zijn? Nee, ik _____________ er niet bij te zijn.
10. ____________________ zij al stemmen? Nee, zij ______________ nog niet stemmen, zij zijn nog geen 18 jaar.
11. Volgend jaar __________ ik heel graag naar Amerika op vakantie. Dat is al heel lang mijn droom.
12. Volgend jaar __________ ik eindelijk naar Amerika op vakantie, want ik heb genoeg geld gespaard.
13. ___________ ik morgen met jou meegaan naar dat moeilijke gesprek bij de specialist? Nee hoor, dat __________ niet. Ik _____ dat heel goed alleen.
14. Ik ___________ volgende week een paar nieuwe oefeningen voor je meenemen. Beloofd!
15. Het _________ zo dadelijk wel gaan regenen, want de lucht is donker en er zijn wolken.

Is het gelukt? Ik kijk de oefening graag voor je na!

Advertenties

modale werkwoorden -4

Voor mijn leerlingen!

Je weet inmiddels wat modale werkwoorden zijn. Het zijn de werkwoorden kunnen, mogen, moeten, willen, zullen (en hoeven).  Hier kan je lezen wat modale werkwoorden ook al weer precies doen in een zin.

Hieronder staan zinnen, waarin je het juiste modale werkwoord moet invullen. Denk ook aan de juiste werkwoordsvorm. Veel succes!

1. Ik ______________ morgen niet komen. Ik heb een andere afspraak.
2. Anita _______________ later heel graag studeren, daarom maakt zij nu altijd heel braaf haar huiswerk.
3. Hendrik _________________ naar de dokter gaan, want hij heeft erge last van zijn rug en kan niet werken.
4. De kinderen __________________ elke dag huiswerk maken. Alleen zo leren zij goed Nederlands.
5. Mijn zus  __________ heel goed koken. Zij maakt heel veel lekkere dingen.
6. ______ jij morgen bij mij komen, of is dat niet mogelijk?
7. De kinderen ________________ niet op straat spelen, want dat is erg gevaarlijk!
8. Jan ___________ nog niet alleen met de trein reizen, want hij is nog te jong.
9. Moeder _______________ elke dag medicijnen nemen. Zonder medicijnen wordt zij ziek.
10. Peter ______________ erg hard studeren, omdat hij morgen examens heeft.
11. _________  jij ook graag muziek luisteren? Nee, ik houd niet van muziek!
12. Wat _____________ jij graag voor jouw verjaardag hebben? Ik ___________ graag een boek.
13. Wat _____________ jij later worden? Ik _______ later dokter worden.
14. Jullie ____________ in de klas stil zijn, want er zijn examens!
15. ____________ we naar huis gaan? Ja, laten we dat doen.
16. Wanneer denk je, dat hij _______ komen? Ik denk dat hij niet zo laat ________ komen.
17. ____________ jullie volgende week donderdag op het spreekuur komen, of hebben jullie dan geen tijd?
18. ___________ U mij volgende week bellen? We kunnen dan een afspraak maken.
19. Sakina ________ graag een paar dingen vragen.
20. ___________ we volgende week gezellig gaan winkelen?

Was het moeilijk? Wanneer je het gemaakt hebt, kijk ik het graag voor je na!

eenvoudige zinnen maken

We gaan zinnen maken met de werkwoorden: wonen, schrijven en kiezen.

Opdracht:
Zet de zinnen in de goede volgorde.
Schrijf het werkwoord in de juiste vorm.
Schrijf de juiste lidwoorden (de, het, een).

Let op de volgorde van de Nederlandse zin:
1. wie (het onderwerp)
2. werkwoord (persoonsvorm)
3. wanneer
4. wat
5. waar
——

1. (schrijven) – leerling – in het schrift

2. op het bord – docent – (schrijven)

3. volgende week – wij – verhaal – (schrijven)

4. (kiezen) – meisje – groene jas

5. volgende maand – volk – (kiezen) – nieuwe regering

6. in de winkel – mevrouw – (kiezen) – rode blouse

7. (wonen) – familie – in een rijtjeshuis

8. in Amsterdam – (wonen) – kinderen – in een flat

9. al twintig jaar – mijn broer – in Den Haag – (wonen)

Veel succes! Heb je de oefening gemaakt? Dan kijk ik deze graag voor je na!

dubbelklanken -2

Voor mijn leerlingen!

De Nederlandse taal heeft acht dubbelklanken. We noemen ze ook wel duo-klinkers, tweeletterklanken of samenklanken.
Voor ons Nederlanders zijn ze heel normaal :)).
Wanneer je onze taal gaat leren, dan is dat best moeilijk! Want hoe spreek je zo’n dubbelklank nu precies uit?!
En wanneer schrijf je ook al weer welke twee letters……… ?!

Hieronder is een invuloefening met veel woorden met een dubbelklank erin.
Vul een van deze acht dubbelklanken in: EU – UI – OE – EI – IJ – IE – OU – of de AU.
Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze voor je na en lezen we de oefening samen een paar keer hardop.

1. Een vrouwtjes kat noemen we een p____s.

2. De p____s vangt een m____s.

3. Op het forn____s staan pannen. Je kookt op het forn____s.

4. Dr____ven zijn lekkere zoete vruchten. Ze zijn wit of rood.

5. Het forn____s staat in de k____ken, omdat je daar kookt.

6. De kleren was je in de wasmachine met wasp____der.

7. Heb jij melk en s____ker in jouw koffie?

8. We hebben op school na twee uur een p____ze. Dan praten en eten we samen.

9. In juli en augustus heeft de school zes weken vakant____.

10. Een arb____der is iemand die voor een baas werkt. Een arb____der werkt meestal met zijn handen.

11. Als het regent ga ik niet op de f____ts, maar met de ____to naar school.

12. Drie opgebakken __eren met ham en kaas noemen Nederlanders een uitsmijter.

13. Verse gr____nte en fr____t is heel gezond!

14. Als je een ____ moet snijden, ga je huilen!

15. Een mannetjes k____ noemen we een stier.

16. De ch____ff____r bestuurt de taxi.

Was het moeilijk? Zoek de nieuwe woorden op in een woordenboek of op de computer.
Lees de oefening ook een paar keer met een Nederlandse docent of taalcoach. Je leert de dubbelklanken dan goed uitspreken. Veel succes!

oefenen met 4 werkwoorden -6

Voor mijn leerlingen!

We gaan vandaag oefenen met de volgende vier werkwoorden:
zeggen – spellen – wonen – spreken.

Vul in elke zin de juiste vorm van het juiste werkwoord in.
Bedenk eerst welk werkwoord goed is.
Bedenk daarna welke vorm van dat werkwoord goed is.

Wil je eerst nog iets meer weten over wat werkwoorden precies zijn, dan kan je hier klikken.

Veel succes met de oefening! Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!

1. Het meisje ________ niet veel in de klas.
2. Abdulrahman is een lange naam. Ik ________  het even.
3. Wij ________ in een flat.
4. De vluchteling ________ Arabisch.
5. De docent ________ altijd uit welk boek wij gaan leren.
6. De kinderen zijn heel stil. Zij ________ niets.
7. Mijn vriend ________ in Duitsland.
8. De docent ______ alleen maar Nederlands in de les.
9. Nederlanders ________ altijd wat ze denken.
10. De kinderen ________ de namen. De docent schrijft de namen op.
11. Mijn ouders ________ nog in Syrië
12. Hoe ________ jij jouw naam? Ik weet niet hoe ik het moet schrijven.
13. De kinderen ________ thuis altijd Koerdisch.
14. De leerling ________ het nieuwe woord eerst, daarna zegt ze het.
15. Nederlanders ________ heel vaak in een rijtjeshuis
16. Jullie ________ twee talen, Arabisch en Nederlands.

dubbelklanken

Voor mijn leerlingen!

De Nederlandse taal heeft acht dubbelklanken. We noemen ze ook wel duo-klinkers, tweeletterklanken of samenklanken.
Voor ons Nederlanders zijn ze heel normaal :)).
Wanneer je onze taal gaat leren, dan is dat best moeilijk! Want hoe spreek je zo’n dubbelklank nu precies uit?!
En wanneer schrijf je ook al weer welke twee letters……… ?!

Hieronder is een invuloefening met veel woorden met een dubbelklank erin.
Vul een van deze acht dubbelklanken in: EU – UI – OE – EI – IJ – IE – OU – of de AU.
Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze voor je na en lezen we de oefening samen een paar keer hardop.

 

1. Het vlees ligt in de k____lkast.

2. De kaas is deze week in de aanb____ding.  Het is dus g___dkoop.

3. De citr____n is een gele, zure vrucht.

5. De aardb____ is een rode, zoete vrucht.

6. Welke kl____r heeft de hemel zonder wolken?

7. Nederlanders drinken vaak w____n op een feestje.

8. Ook eten wij vaak s____p met groente en stukjes vlees erin.

9. De mannen drinken meestal b____r op een feestje.

10. De herfst noemen wij een s____z____n.

11. Soms ga ik met de f____ts, maar meestal ga ik met de tr____n. Dat gaat sneller.

12. Op vakantie ga ik met een vl____gt____g. Dat gaat het snelst.

13. Een mannetjes koe heet een st____r.

14. Een kon____n is een zacht d____r met lange oren.

15. Een uur heeft v____r kwart____ren.

16. Nederlanders hebben altijd haast, zij hebben weinig t____d.

17. Een j____rnalist werkt voor een krant.

18. Bakker zijn, is een ber____p. De bakker bakt brood.

19. Slager zijn, is ook een ber____p. De slager snijdt vlees.

20. De baas van een bedr____f noemen we vaak de direct____r.

21. De b____r heeft k____ien en varkens.

22. Na de middelbare school ga je naar een opl____ding.

23. De woorden g____d en f____t zijn elkaars tegenstelling.

Was het moeilijk?
Lees de oefening ook een paar keer met een Nederlandse docent of taalcoach. Je leert de dubbelklanken dan goed uitspreken. Veel succes!

hebben en zijn

Voor mijn leerlingen!

Op verzoek geef ik jullie hieronder een schrijfoefening voor het gebruik van de werkwoorden hebben en zijn. De werkwoorden hebben en zijn, zijn twee belangrijke werkwoorden in de Nederlandse taal.

Vul op de open plekken de juiste vorm van het werkwoord hebben of zijn in. Het is natuurlijk nog beter als je de hele oefening overschrijft! Je oefent dan extra alle woorden die in de zinnen voorkomen. Als je een woord niet kent, zoek het dan op! Wanneer je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na.

Veel succes!

1 Ik ______ geboren in Syrië.

2 Ik ______ een boek.

3 Jij ______ in huis.

4 De kameel _____ groot.

5 Jij ______ een nieuwe jurk.

6 De neef en de nicht ______ geboren in Nederland.

7 De man en de vrouw ______ gefietst.

8 Wij ______ geen auto.

9 Ik ______ in de woonkamer.

10 De jongen en het meisje _____ familie.

11 De broer en de zus ______ in huis.

12 De broer en de zus ______ gewinkeld.

13 De vork ____ klein.

14 Jij ______ gelopen.

15 Ik ____ een meisje / een jongen.

16 De lepel ____ een ding.

17 Hij ______ een zus.

18 Het schaap ______ vier poten.

19 Jij ____ klein.

20 De kat ____ een dier.

21 Het meisje en de jongen ______ een fiets.

22 Wij ______ een huis.

23 Jij ______ een meisje / een jongen.

24 wij ______ gegeten.

25 Ik ______ geslapen.

26 De koe ____ in de schuur.

27 Ik _____ groot.

28 Zij ______ een broer.

29 Wij ______ geboren in Amsterdam.

30 De koe ______ gedronken.

31 Jij ___ geboren in Nederland.

32 De lepel _____ in de lade in de keuken.

33 De neef en de nicht ______ een auto.

34 Jullie ____ in de woonkamer.

35 Zij _____ vluchtelingen.

36 De man en de vrouw _____ samen.

Wanneer je de werkwoorden nog weer even wilt herhalen en leren, klik dan nog eens hier op hebben of zijn.

schrijfopdracht – stuur een briefje-2

Voor mijn leerlingen!

Hier komt nog een nieuwe schrijfopdracht!

Hoe was het ook al weer? Even herhalen:
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!
Ook hier kan je veel zinnen vinden, die je goed kunt gebruiken bij het schrijven van een briefje!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna het briefje.

Opdracht:
Jouw zoon Firash moet voor controle van zijn rug naar de specialist in het ziekenhuis. Hij heeft daarvoor een afspraak op de woensdag staan.
Firash heeft woensdag de hele dag les op school, daarom moet je voor jouw zoon vrij vragen bij de docent of de rector van de school.  Dat moet met een kort briefje. Schrijf in het briefje waarom jouw zoon Firash vrij wil hebben.

1)
– schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste….. / geachte mevrouw, geachte heer……)
2)
schrijf de inhoud:
– zie hierboven bij opdracht.
3)
– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, …….)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw briefje dan aan mij in de les.

schrijfopdracht -stuur een e-mail-5

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek: een nieuwe schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen!

Hoe was het ook al weer? Even herhalen:
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!
Ook hier kan je veel zinnen vinden, die je goed kunt gebruiken bij het schrijven van een e-mail!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je wilt naturalisatie aanvragen. Dat moet bij de gemeente. Voor een aanvraag moet je veel documenten meesturen, daarom wil je graag hiervoor een afspraak maken bij de gemeente.

– schrijf (bedenk zelf) het e-mailadres van de gemeente in de mail;
– schrijf een “betreft” of “onderwerp”-regel in de mail.

1) Schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

2) Schrijf de inhoud van de e-mail.
Schrijf aan de gemeente wat je wilt (zie hierboven).
Vraag om een afspraak met de gemeente, omdat jij je naturalisatie wilt aanvragen.
Schrijf op welke dagen jij beschikbaar bent voor een afspraak.
Vraag ook welke papieren / documenten je allemaal mee moet nemen, zodat de heer of mevrouw van de gemeente de aanvraag samen met jou compleet (=helemaal klaar) kan maken.

3) Schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Succes! Lever het gemaakte werk bij mij in en ik kijk het voor je na!

iets vertellen over uzelf – ramadan mubarak/رمضان مبارك

Voor mijn leerlingen!

Zoals je weet, verandert vanaf mei 2018 het examen schrijven. Je moet dan ook “iets vertellen over uzelf”, zoals DUO het noemt. Omdat het nu ramadan is en veel leerlingen dat vieren, gaan we iets vertellen over deze maand. Als je geen ramadan houdt, mag je iets vertellen over je verjaardag.

OPDRACHT
Vertel iets over ramadan. Schrijf minimaal vier hele zinnen. Denk aan:
– Hoelang duurt het feest en wanneer begint het?
– Waarom vier je het?
– Wat doe je allemaal tijdens ramadan? En moet iedereen meedoen?

Probeer nu eerst de oefening te maken. Schrijf een stukje tekst. Kijk daarna pas onder het plaatje!
Onder het plaatje staat een mogelijk antwoord. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer antwoorden goed. Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!
Veel succes en ramadan mubarak!

ramadan_2018 (c)uilentaal, lekkers ter gelegenheid van Ramadan, gekregen van een van mijn leerlingen :-))

(c) uilentaal, lekkers ter gelegenheid van ramadan, gekregen van een van mijn leerlingen :-))

Goede teksten kunnen zijn:
1) Ramadan
De ramadan duurt een maand. Het begint elk jaar op een andere dag, dat komt door de maan.
Ik vier het, omdat het de vastenmaand is in islam. Die is heel belangrijk.
Overdag mag je niet eten en drinken. Als de zon onder is, eten we lekkere hapjes.
Je hoeft niet te vasten, als je ziek of zwanger bent.
2) Verjaardag
Ik ben elk jaar in januari jarig.
Ik vier mijn verjaardag, omdat ik het gezellig vind.
Ik krijg familie en vrienden op bezoek.
Wij praten samen en eten en drinken lekkere dingen.