schrijfopdracht – stuur een e-mail-1

Voor mijn leerlingen!

Hieronder staat een schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.
Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je hebt vrijdag as. een afspraak bij de gemeente. Je kunt niet komen en wilt de afspraak verzetten naar een andere dag. Schrijf een email aan de gemeente.

– schrijf het e-mailadres van de gemeente in de mail
– schrijf een “betreft” – regel in de mail

– schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

schrijf dat je jouw afspraak op vrijdag as. wilt verzetten naar een andere dag, omdat je niet kunt komen. Vertel waarom je niet kunt komen. Vertel op welke dagen je wel naar een nieuwe afspraak kunt komen.

– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw e-mail dan aan mij in de les.

schrijfopdracht – stuur een briefje-1

Voor mijn leerlingen!

Hieronder staat een schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.
Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna het briefje.

Opdracht:
Je dochtertje Badria heeft volgende week een uitje van school. De klas gaat ook samen eten bij de chinees.
Je wilt de juf van school vertellen dat Badria alleen maar vegetarisch of kip mag eten bij de chinees. Badria mag geen andere gerechten nemen, omdat daar varkensvlees in zit.
Schrijf een kort briefje aan de juf van Badria.
1)
– schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste….. / geachte mevrouw, geachte heer……)
2) schrijf de inhoud:
schrijf wat je de juf wilt vertellen (dat staat hierboven bij opdracht!)
3)
– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, …….)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw briefje dan aan mij in de les.

schrijfopdracht – stuur een kaartje-1

Voor mijn leerlingen!

Hieronder staat een schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.
Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna het kaartje.

Opdracht:
Je bent op vakantie in Zweden en stuurt een kaartje naar je moeder en broers/zussen thuis.
1)
– schrijf de aanhef (dus: lieve ….. / beste …… / geachte mevrouw, geachte heer……)
2)
– schrijf wat je van jouw vakantie in Noorwegen vindt. Vertel iets over het weer. Vertel wat je gisteren en vandaag hebt gedaan. Vertel wat je morgen gaat doen.
3)
– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ……..)

Geef de gemaakte opdracht aan mij in de les, ik kijk het graag voor je na! Veel succes!

zinnen afmaken – dus, en, want

Voor mijn leerlingen!

We gaan een oefening maken met de voegwoorden: dus, want, en.

Lees dit eerst:

DUS:
Na het voegwoord “dus” staat het gevolg van de zin die voor het voegwoord “dus” staat.
– Het onderwerp (=wie) en de persoonsvorm (=het vervoegde werkwoord, wat doet “wie”) staan beide na elkaar, direct achter het voegwoord “dus”.
Voorbeeld:
Ik moet thuis nog veel dingen doen, dus ik ga nu snel naar huis.

WANT:
– Na het voegwoord “want” staat een reden.
– Stel jezelf de vraag bij het eerste deel van de zin: Waarom doet hij/zij/het dat?
– Het antwoord op die vraag kan je dan na het voegwoord “want” schrijven.
– Het onderwerp (=wie) en de persoonsvorm (=het vervoegde werkwoord, wat doet “wie”) staan beide na elkaar, direct achter het voegwoord “dus”.
Voorbeeld:
Ik neem even een paracetamol, want ik heb vreselijke hoofdpijn.

EN:
– Het voegwoord “en” gebruik je bij een opsomming.
– Stel jezelf de vraag over het eerste deel van de zin: Wat doet hij/zij/het nog meer?
– Het antwoord kan je dan na het voegwoord “en” schrijven.
– Na “en” hoef je geen komma te zetten.
– Het onderwerp (=wie) en de persoonsvorm (=het vervoegde werkwoord, wat doet “wie”) staan beide na elkaar, direct achter het voegwoord “dus”.
Voorbeeld:
Ik heb het druk. Ik moet naar de slager en ik moet naar de supermarkt en ik moet naar de kapper!

Maak nu de oefening hieronder.

1. Ik koop een cadeau voor mijn vrouw en ……………………………………..
2. Zij neemt een paracetamol in, want ………………………………………..
3. De gasten eten beschuit met muisjes, want ………………………………….
4. Zij kopen sinaasappels op de markt en ……………………………………..
5. Ik ga dit jaar niet op vakantie, dus ………………………………………
6. De koningin komt dit jaar niet naar onze stad, want …………………………
7. Buiten is het erg nat en …………………………………………………
8. Ik kan de jas met korting kopen en ………………………………………..
9. Ik kan niet slapen, dus ………………………………………………….
10. Ik ga na het inburgeringsexamen op vakantie, want ………………………….
11. Het feest is heel laat, dus ……………………………………………..
12. Wij willen niet naar bed, want …………………………………………..
13. Het restaurant is goed en ……………………………………………….
14. Mijn broertje slaapt boven en ……………………………………………
15. De rozen zijn rood en …………………………………………………..
16. Ik kom morgen later naar mijn werk, dus …………………………………..
17. Zij neemt haar dochter mee en ……………………………………………
18. Wij gaan niet op vakantie, want ………………………………………….
19. Haar collega’s gaan niet werken, want …………………………………….
20. Zij maakt de kamer schoon en …………………………………………….
21. De hond blaft, dus ……………………………………………………..
22. ’s Nachts is het donker en ………………………………………………
23. Hij slaapt de hele dag, want ………………………………………………….
24. De jongen is lief, dus ………………………………………………….
25. Zij leest en …………………………………………………………..
26. Wij drinken Coca-Cola en ………………………………………………..
27. Het regent en ………………………………………………………….
28. Ik word achttien jaar, dus ………………………………………………
29. Ik verf mijn haar, want …………………………………………………
30. Zij gaat douchen, want ………………………………………………….

Veel dank aan (c) Ellen Oostenbrink voor de oefening.

modale werkwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

Ik geef jullie hier nog een paar handige zinnen met de modale werkwoorden kunnen, mogen, moeten, willen, en zullen erin.

De werkwoorden in de zinnen heb ik vet gemaakt. Let goed op de plaats van de werkwoorden in de zin.

Leer ze goed en herhaal ze vaak!
Je kunt deze zinnen ook heel goed gebruiken in een brief, een e-mail of een kaartje! Het zijn dus belangrijke zinnen!
De laatste zinnen kan je ook goed onderweg, in de stad of in de tram gebruiken.

Ik wil graag een afspraak maken.
Ik kan niet op de vrijdag komen.
Wanneer kunt u met mij praten?
Ik kan volgende week maandag en woensdag bij u komen.
Op welke dag en hoelaat kunt u met mij praten?
Ik wil graag een paar dingen vragen.
Mag ik u wat dingen vragen?
Kan
ik u een paar dingen vragen?
Mag
ik u volgende week/morgen/vrijdag bellen?
Kan
ik u donderdag bellen?
Mag
ik een afspraak met u maken?

Wilt u mij snel antwoorden?
Wilt u mij snel antwoord geven?
Kunt u mij morgen of overmorgen antwoorden?
Kunt u mij volgende week bellen?
Wilt u mij volgende week bellen?
Wilt u mij met dat probleem helpen?
Kunt u mij met de computer helpen?

Zullen we volgende week gaan winkelen?
Zullen we morgen samen iets gezelligs gaan doen?
Zullen
we donderdag iets leuks afspreken?
Zullen
we zaterdag naar de stad gaan?
Wil
jij morgen met mij naar de film/bioscoop/theater/stad?
Kan jij morgen bij mij langskomen?
Waar zullen we afspreken?

En nog een paar zinnen voor onderweg, in de stad:

Dag mevrouw, mag ik hier gaan zitten?
Sorry meneer, mag ik hier alstublieft zitten?
Oh mevrouw, wilt u hier misschien zitten?
Mevrouw, kan ik u misschien helpen?
Meneer, zal ik u even helpen?
Mevrouw, kunt u deze 5 euro misschien wisselen in munten?
Mag ik deze jurk ruilen, de kleur is fout?
Kan ik deze broek ruilen, hij is te klein?
Dag meneer, mag ik u iets vragen?
Dag mevrouw, kunt u mij zeggen, waar de tramhalte voor lijn 6 is?

Wil je nog meer zinnen leren of herhalen met modale werkwoorden, klik dan op deze link.

zinnen afmaken – dus, maar, omdat, want

Voor mijn leerlingen!

Probeer onderstaande zinnen af te maken. Het zijn dit keer zinnen met dus, maar, omdat en want. Als je de zinnen klaar hebt, dan kijk ik ze voor je na.
Heel veel succes!

1. Ik ga naar de dokter, omdat ……………..

2. Ik ga naar de dokter, want ………………..

3. Ik moet naar de supermarkt, want ………

4. Ik moet boodschappen halen, omdat ………..

5. Ik wil graag een groter huis, maar …………

6. Ik moet naar de slager, want ………..

7. Die tas is veel te duur, dus……………..

8. Ik moet naar de bakker, omdat …………..

9. Ik moet een nieuw boek voor school hebben, maar …………….

10. Asma wil een baantje, omdat …………………….

11. Zamzam wil een baantje, want ………………….

12. Anita gaat met de bus, want ……………………..

13. Buurvrouw heeft vreselijke pijn in haar buik, dus …………………

14. Hassan gaat met de metro, omdat ………………….

15. Hamza gaat met de fiets, omdat …………………….

16. Het brood is op, dus ……………………………………..

17. Wij eten vandaag rijst, maar ………………………….

18. Ik wil aardappels kopen, dus …………………………

19. Ik moet naar de markt, want ………………………….

20. Ik wil op vakantie, maar ……………………………….

een brief, kaartje of e-mail schrijven

Voor mijn leerlingen!

Op de examen moet je ook een brief, kaart of e-mail schrijven. Zo’n brief, kaartje of e-mail bestaat uit 3 delen:
1) de aanhef (= het begin)
2) de inhoud (= dat wat je wilt zeggen/schrijven)
3) het slot (= het eind)

1) DE AANHEF:

Lieve ……… (voornaam),
gebruik je wanneer je iets schrijft aan je ouders, moeder, vader, broer, zus of je man/vrouw (=partner). Deze mensen ken je heel goed, je houdt van ze en ze zijn heel belangrijk voor je.

of

Beste ………. (voornaam),
gebruik je wanneer je iemand goed kent en iemand bij de voornaam noemt, bijvoorbeeld een vriend of vriendin, jouw docent als je hem/haar bij de voornaam noemt, je taalcoach, een goede collega of klasgenoot.

of

Geachte heer…… (achternaam), of
Geachte mevrouw ……. (achternaam), of
Geachte heer/mevrouw, (wanneer je niet weet of het een man of vrouw is en je weet geen achternaam).
Dit gebruik je in officiële brieven.
Je gebruikt het wanneer je iemand niet kent of wanneer iemand ver van je af staat. Bijvoorbeeld de docent van je kinderen, de school, de dokter, de tandarts, de gemeente, de zorgverzekeraar, de apotheek.

2) DE INHOUD: Je leert hier twee of drie of meer zinnen maken waarmee je iets wilt vertellen.

3) HET SLOT:

Liefs, ……. (jouw naam).
Veel liefs, ….. (jouw naam)
Veel liefs en groetjes, ……. (jouw naam)
gebruik je wanneer je een brief/kaartje/e-mail eindigt aan je ouders, moeder, vader, broer, zus of je man/vrouw (=partner). Deze mensen ken je heel goed, je houdt van ze en ze zijn heel belangrijk voor je.

of

Groetjes, ……. (jouw naam)
Groeten van, ……. (jouw naam)
Met hartelijke groeten, ……. (jouw naam)
gebruik je wanneer je een brief/kaartje/e-mail eindigt aan iemand die je goed kent en bij de voornaam noemt, bijvoorbeeld een vriend of vriendin, jouw docent als je hem/haar bij de voornaam noemt, je taalcoach, een goede collega of klasgenoot.

of

Met vriendelijke groet,
………………(voor en achternaam).
Dit gebruik je wanneer je een officiële brief, briefje of e-mail eindigt.
Je gebruikt het wanneer je iemand niet kent of wanneer iemand ver van je af staat. Bijvoorbeeld de docent van je kinderen, de school, de dokter, de tandarts, de gemeente, de zorgverzekeraar, het ziekenhuis, de apotheek.

HEEL BELANGRIJK:
Leer het bovenstaande uit je hoofd. Leer dus wat er staat bij punt 1) de aanhef (=het begin) en bij punt 3) het slot (=het eind).

Wat je allemaal kan schrijven bij punt 2) de inhoud, dat gaan we héél véél oefenen! :).
Punt 2) de inhoud, gaan we dus leren door heel veel te DOEN!

zinnen afmaken -maar

Voor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een heleboel zinnen met “maar”.
Maar gebruik je om een tegenstelling aan te geven. Bijvoorbeeld bij een vraag over wat je wel leuk, lekker, mooi, interessant vindt en daarnaast wat je niet leuk, lekker, mooi, interessant vindt.

Een paar voorbeelden:
Ik houd van lamsvlees, maar ik houd niet van varkensvlees.
Ik vind naar de bioscoop gaan leuk, maar ik vind het niet leuk om naar het theater te gaan.
Probeer nu zelf de volgende zinnen af te maken. Let op de plaats van het onderwerp en de persoonsvorm direct na maar. Veel succes!

Ik eet graag pasta, maar __________________________________________

Ik houd van op bezoek gaan in het weekend, maar ______________________

Ik vind het nieuws op TV leuk, maar ________________________________

Ik vind Sinterklaas in Nederland leuk, maar ___________________________

Ik vind pasta koken leuk, maar ik ___________________________________

Ik eet vaak sinasappels, maar ik ____________________________________

Ik vind een boek lezen leuk, maar ik _________________________________

Ik vind het weer in Nederland niet fijn, maar___________________________

Ik houd niet van sporten, maar ik ___________________________________

Ik houd niet van hard studeren, maar ________________________________

Ik vind een  boek lezen leuk, maar __________________________________

Ik houd van chocolade, maar ______________________________________

Ik houd van in bad gaan, maar _____________________________________

Ik houd het meest van auto rijden, maar ______________________________

Ik ga liever met de metro dan met de bus, maar_________________________

Ik moet altijd met de fiets, maar ____________________________________

Ik vind de herfst wel leuk, maar ____________________________________

Ik wil wel graag vrijwilligerswerk doen, maar___________________________

Ik wil mijn moeder wel helpen, maar _________________________________

Ik vind Nederland wel een mooi land, maar_____________________________

zinnen afmaken – omdat

Voor mijn leerlingen!

Hier komen een heleboel zinnen met “omdat”. Je kunt deze zinnen gebruiken bij vragen die beginnen met “waarom?”.  Bijvoorbeeld:
Waarom vind je een kat leuk?
Ik vind een kat leuk, omdat een kat gezellig is.

Let op dat het werkwoord in deze zin achteraan staat!

Ik vind een hond leuk, omdat ______________________________________

Ik vind sneeuw leuk, omdat _______________________________________

Ik vind kerstversieringen leuk, omdat _______________________________

Ik vind cadeautjes krijgen leuk, omdat_______________________________

Ik draag oranje kleren op Koningsdag, omdat _________________________

Ik was te laat op mijn afspraak, omdat _______________________________

Ik eet vaak pasta, omdat __________________________________________

Ik reis niet zo vaak met de metro, omdat _____________________________

Ik koop mijn groente vaak op de markt, omdat ________________________

Ik koop mijn groente vaak in de supermarkt, omdat ____________________

Ik krijg het liefst een boek als cadeau op mijn verjaardag, omdat ____________

Ik vind pasta makkelijk om te koken, omdat __________________________

Ik ga het liefst winkelen in het dorp, omdat ___________________________

Ik ga naar de dokter, omdat _____________________________________

Ik ga naar de apotheek, omdat ____________________________________

Ik ga naar de inburgeringscursus, omdat_____________________________

Ik leer Nederlands, omdat_______________________________________
Ik vind het journaal kijken op TV belangrijk, omdat______________________

Ik vind sporten belangrijk, omdat__________________________________

Ik houd van de vakantie, omdat___________________________________

Wanneer je de zinnen afgemaakt hebt, mag je ze aan mij geven. Ik kijk ze dan voor je na. Veel succes!!

zwakke werkwoorden in de verledentijd

Voor mijn leerlingen!

We gaan dit keer zinnen maken in de verledentijd (=vroeger). We maken zinnen met alleen maar zwakke werkwoorden.
Wil je wat meer leren over zwakke werkwoorden of wil je weten hoe je gemakkelijk een juiste verledentijd van een zwak werkwoord kan maken, dan kun je hier meer lezen.

Probeer nu de zinnen te maken. De woorden staan door elkaar. Let dus goed op de volgorde bij het maken van een zin.

Voorbeeld:
0) chatten – vriendin – gisteren
Gisteren chatte ik met een vriendin in Amerika.________________

1) vorige week – botsen – twee auto’s

________________________________________________________

2) de hond van de buren – blaffen – gisteren – hele dag

________________________________________________________

3) werken – vorig jaar – groot bedrijf

________________________________________________________

4) gisteren – leren – twee uur

________________________________________________________

5) spelen – vorige week – in de tuin

________________________________________________________

6) mailen – vorige maand – sollicitatie

________________________________________________________

7) afgelopen donderdag – betalen – rekening

________________________________________________________

8) schaatsen – vorig jaar – elfstedentocht

________________________________________________________

9) vroeger – reizen – verre landen

________________________________________________________

10) vanochtend – bushalte – wachten

________________________________________________________

11) vorig jaar – mijn neef – trouwen – Marokko

________________________________________________________

12) gisteren – huilen – pijn

________________________________________________________

13) examen – vorig jaar – slagen – mijn vriendin

________________________________________________________

14) vorige maand – zakken – inburgering

________________________________________________________

15) vanochtend – auto – stoppen – zeebrapad

________________________________________________________

16) vroeger – papieren – bewaren

________________________________________________________

17) school – gistermiddag – mijn zusje – halen

________________________________________________________

Als je de zinnen gemaakt hebt, geef ze dan aan mij. Ik kijk ze graag voor je na!
Was het moeilijk? Maak ze dan over een tijdje nog eens weer opnieuw. Gebruik dan ook eens andere woorden in de zin. Door veel te oefenen, maak je steeds minder fouten bij het schrijven van woorden en zinnen. Veel succes!