zinnen afmaken – dus, en, want

Voor mijn leerlingen!

We gaan een oefening maken met de voegwoorden: dus, want, en.

Lees dit eerst:

DUS:
Na het voegwoord “dus” staat het gevolg van de zin die voor het voegwoord “dus” staat.
– Het onderwerp (=wie) en de persoonsvorm (=het vervoegde werkwoord, wat doet “wie”) staan beide na elkaar, direct achter het voegwoord “dus”.
Voorbeeld:
Ik moet thuis nog veel dingen doen, dus ik ga nu snel naar huis.

WANT:
– Na het voegwoord “want” staat een reden.
– Stel jezelf de vraag bij het eerste deel van de zin: Waarom doet hij/zij/het dat?
– Het antwoord op die vraag kan je dan na het voegwoord “want” schrijven.
– Het onderwerp (=wie) en de persoonsvorm (=het vervoegde werkwoord, wat doet “wie”) staan beide na elkaar, direct achter het voegwoord “dus”.
Voorbeeld:
Ik neem even een paracetamol, want ik heb vreselijke hoofdpijn.

EN:
– Het voegwoord “en” gebruik je bij een opsomming.
– Stel jezelf de vraag over het eerste deel van de zin: Wat doet hij/zij/het nog meer?
– Het antwoord kan je dan na het voegwoord “en” schrijven.
– Na “en” hoef je geen komma te zetten.
– Het onderwerp (=wie) en de persoonsvorm (=het vervoegde werkwoord, wat doet “wie”) staan beide na elkaar, direct achter het voegwoord “dus”.
Voorbeeld:
Ik heb het druk. Ik moet naar de slager en ik moet naar de supermarkt en ik moet naar de kapper!

Maak nu de oefening hieronder.

1. Ik koop een cadeau voor mijn vrouw en ……………………………………..
2. Zij neemt een paracetamol in, want ………………………………………..
3. De gasten eten beschuit met muisjes, want ………………………………….
4. Zij kopen sinaasappels op de markt en ……………………………………..
5. Ik ga dit jaar niet op vakantie, dus ………………………………………
6. De koningin komt dit jaar niet naar onze stad, want …………………………
7. Buiten is het erg nat en …………………………………………………
8. Ik kan de jas met korting kopen en ………………………………………..
9. Ik kan niet slapen, dus ………………………………………………….
10. Ik ga na het inburgeringsexamen op vakantie, want ………………………….
11. Het feest is heel laat, dus ……………………………………………..
12. Wij willen niet naar bed, want …………………………………………..
13. Het restaurant is goed en ……………………………………………….
14. Mijn broertje slaapt boven en ……………………………………………
15. De rozen zijn rood en …………………………………………………..
16. Ik kom morgen later naar mijn werk, dus …………………………………..
17. Zij neemt haar dochter mee en ……………………………………………
18. Wij gaan niet op vakantie, want ………………………………………….
19. Haar collega’s gaan niet werken, want …………………………………….
20. Zij maakt de kamer schoon en …………………………………………….
21. De hond blaft, dus ……………………………………………………..
22. ’s Nachts is het donker en ………………………………………………
23. Hij slaapt de hele dag, want ………………………………………………….
24. De jongen is lief, dus ………………………………………………….
25. Zij leest en …………………………………………………………..
26. Wij drinken Coca-Cola en ………………………………………………..
27. Het regent en ………………………………………………………….
28. Ik word achttien jaar, dus ………………………………………………
29. Ik verf mijn haar, want …………………………………………………
30. Zij gaat douchen, want ………………………………………………….

Veel dank aan (c) Ellen Oostenbrink voor de oefening.

Advertenties

zinnen afmaken – dus, maar, omdat, want

Voor mijn leerlingen!

Probeer onderstaande zinnen af te maken. Het zijn dit keer zinnen met dus, maar, omdat en want. Als je de zinnen klaar hebt, dan kijk ik ze voor je na.
Heel veel succes!

1. Ik ga naar de dokter, omdat ……………..

2. Ik ga naar de dokter, want ………………..

3. Ik moet naar de supermarkt, want ………

4. Ik moet boodschappen halen, omdat ………..

5. Ik wil graag een groter huis, maar …………

6. Ik moet naar de slager, want ………..

7. Die tas is veel te duur, dus……………..

8. Ik moet naar de bakker, omdat …………..

9. Ik moet een nieuw boek voor school hebben, maar …………….

10. Asma wil een baantje, omdat …………………….

11. Zamzam wil een baantje, want ………………….

12. Anita gaat met de bus, want ……………………..

13. Buurvrouw heeft vreselijke pijn in haar buik, dus …………………

14. Hassan gaat met de metro, omdat ………………….

15. Hamza gaat met de fiets, omdat …………………….

16. Het brood is op, dus ……………………………………..

17. Wij eten vandaag rijst, maar ………………………….

18. Ik wil aardappels kopen, dus …………………………

19. Ik moet naar de markt, want ………………………….

20. Ik wil op vakantie, maar ……………………………….