oefenen met 4 werkwoorden -6

Voor mijn leerlingen!

We gaan vandaag oefenen met de volgende vier werkwoorden:
zeggen – spellen – wonen – spreken.

Vul in elke zin de juiste vorm van het juiste werkwoord in.
Bedenk eerst welk werkwoord goed is.
Bedenk daarna welke vorm van dat werkwoord goed is.

Wil je eerst nog iets meer weten over wat werkwoorden precies zijn, dan kan je hier klikken.

Veel succes met de oefening! Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!

1. Het meisje ________ niet veel in de klas.
2. Abdulrahman is een lange naam. Ik ________  het even.
3. Wij ________ in een flat.
4. De vluchteling ________ Arabisch.
5. De docent ________ altijd uit welk boek wij gaan leren.
6. De kinderen zijn heel stil. Zij ________ niets.
7. Mijn vriend ________ in Duitsland.
8. De docent ______ alleen maar Nederlands in de les.
9. Nederlanders ________ altijd wat ze denken.
10. De kinderen ________ de namen. De docent schrijft de namen op.
11. Mijn ouders ________ nog in Syrië
12. Hoe ________ jij jouw naam? Ik weet niet hoe ik het moet schrijven.
13. De kinderen ________ thuis altijd Koerdisch.
14. De leerling ________ het nieuwe woord eerst, daarna zegt ze het.
15. Nederlanders ________ heel vaak in een rijtjeshuis
16. Jullie ________ twee talen, Arabisch en Nederlands.

Advertenties

dubbelklanken

Voor mijn leerlingen!

De Nederlandse taal heeft acht dubbelklanken. We noemen ze ook wel duo-klinkers, tweeletterklanken of samenklanken.
Voor ons Nederlanders zijn ze heel normaal :)).
Wanneer je onze taal gaat leren, dan is dat best moeilijk! Want hoe spreek je zo’n dubbelklank nu precies uit?!
En wanneer schrijf je ook al weer welke twee letters……… ?!

Hieronder is een invuloefening met veel woorden met een dubbelklank erin.
Vul een van deze acht dubbelklanken in: EU – UI – OE – EI – IJ – IE – OU – of de AU.
Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze voor je na en lezen we de oefening samen een paar keer hardop.

 

1. Het vlees ligt in de k____lkast.

2. De kaas is deze week in de aanb____ding.  Het is dus g___dkoop.

3. De citr____n is een gele, zure vrucht.

5. De aardb____ is een rode, zoete vrucht.

6. Welke kl____r heeft de hemel zonder wolken?

7. Nederlanders drinken vaak w____n op een feestje.

8. Ook eten wij vaak s____p met groente en stukjes vlees erin.

9. De mannen drinken meestal b____r op een feestje.

10. De herfst noemen wij een s____z____n.

11. Soms ga ik met de f____ts, maar meestal ga ik met de tr____n. Dat gaat sneller.

12. Op vakantie ga ik met een vl____gt____g. Dat gaat het snelst.

13. Een mannetjes koe heet een st____r.

14. Een kon____n is een zacht d____r met lange oren.

15. Een uur heeft v____r kwart____ren.

16. Nederlanders hebben altijd haast, zij hebben weinig t____d.

17. Een j____rnalist werkt voor een krant.

18. Bakker zijn, is een ber____p. De bakker bakt brood.

19. Slager zijn, is ook een ber____p. De slager snijdt vlees.

20. De baas van een bedr____f noemen we vaak de direct____r.

21. De b____r heeft k____ien en varkens.

22. Na de middelbare school ga je naar een opl____ding.

23. De woorden g____d en f____t zijn elkaars tegenstelling.

Was het moeilijk?
Lees de oefening ook een paar keer met een Nederlandse docent of taalcoach. Je leert de dubbelklanken dan goed uitspreken. Veel succes!

hebben en zijn

Voor mijn leerlingen!

Op verzoek geef ik jullie hieronder een schrijfoefening voor het gebruik van de werkwoorden hebben en zijn. De werkwoorden hebben en zijn, zijn twee belangrijke werkwoorden in de Nederlandse taal.

Vul op de open plekken de juiste vorm van het werkwoord hebben of zijn in. Het is natuurlijk nog beter als je de hele oefening overschrijft! Je oefent dan extra alle woorden die in de zinnen voorkomen. Als je een woord niet kent, zoek het dan op! Wanneer je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na.

Veel succes!

1 Ik ______ geboren in Syrië.

2 Ik ______ een boek.

3 Jij ______ in huis.

4 De kameel _____ groot.

5 Jij ______ een nieuwe jurk.

6 De neef en de nicht ______ geboren in Nederland.

7 De man en de vrouw ______ gefietst.

8 Wij ______ geen auto.

9 Ik ______ in de woonkamer.

10 De jongen en het meisje _____ familie.

11 De broer en de zus ______ in huis.

12 De broer en de zus ______ gewinkeld.

13 De vork ____ klein.

14 Jij ______ gelopen.

15 Ik ____ een meisje / een jongen.

16 De lepel ____ een ding.

17 Hij ______ een zus.

18 Het schaap ______ vier poten.

19 Jij ____ klein.

20 De kat ____ een dier.

21 Het meisje en de jongen ______ een fiets.

22 Wij ______ een huis.

23 Jij ______ een meisje / een jongen.

24 wij ______ gegeten.

25 Ik ______ geslapen.

26 De koe ____ in de schuur.

27 Ik _____ groot.

28 Zij ______ een broer.

29 Wij ______ geboren in Amsterdam.

30 De koe ______ gedronken.

31 Jij ___ geboren in Nederland.

32 De lepel _____ in de lade in de keuken.

33 De neef en de nicht ______ een auto.

34 Jullie ____ in de woonkamer.

35 Zij _____ vluchtelingen.

36 De man en de vrouw _____ samen.

Wanneer je de werkwoorden nog weer even wilt herhalen en leren, klik dan nog eens hier op hebben of zijn.

schrijfopdracht – stuur een briefje-2

Voor mijn leerlingen!

Hier komt nog een nieuwe schrijfopdracht!

Hoe was het ook al weer? Even herhalen:
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!
Ook hier kan je veel zinnen vinden, die je goed kunt gebruiken bij het schrijven van een briefje!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna het briefje.

Opdracht:
Jouw zoon Firash moet voor controle van zijn rug naar de specialist in het ziekenhuis. Hij heeft daarvoor een afspraak op de woensdag staan.
Firash heeft woensdag de hele dag les op school, daarom moet je voor jouw zoon vrij vragen bij de docent of de rector van de school.  Dat moet met een kort briefje. Schrijf in het briefje waarom jouw zoon Firash vrij wil hebben.

1)
– schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste….. / geachte mevrouw, geachte heer……)
2)
schrijf de inhoud:
– zie hierboven bij opdracht.
3)
– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, …….)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw briefje dan aan mij in de les.

schrijfopdracht -stuur een e-mail-5

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek: een nieuwe schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen!

Hoe was het ook al weer? Even herhalen:
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!
Ook hier kan je veel zinnen vinden, die je goed kunt gebruiken bij het schrijven van een e-mail!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je wilt naturalisatie aanvragen. Dat moet bij de gemeente. Voor een aanvraag moet je veel documenten meesturen, daarom wil je graag hiervoor een afspraak maken bij de gemeente.

– schrijf (bedenk zelf) het e-mailadres van de gemeente in de mail;
– schrijf een “betreft” of “onderwerp”-regel in de mail.

1) Schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

2) Schrijf de inhoud van de e-mail.
Schrijf aan de gemeente wat je wilt (zie hierboven).
Vraag om een afspraak met de gemeente, omdat jij je naturalisatie wilt aanvragen.
Schrijf op welke dagen jij beschikbaar bent voor een afspraak.
Vraag ook welke papieren / documenten je allemaal mee moet nemen, zodat de heer of mevrouw van de gemeente de aanvraag samen met jou compleet (=helemaal klaar) kan maken.

3) Schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Succes! Lever het gemaakte werk bij mij in en ik kijk het voor je na!

iets vertellen over uzelf – ramadan mubarak/رمضان مبارك

Voor mijn leerlingen!

Zoals je weet, verandert vanaf mei 2018 het examen schrijven. Je moet dan ook “iets vertellen over uzelf”, zoals DUO het noemt. Omdat het nu ramadan is en veel leerlingen dat vieren, gaan we iets vertellen over deze maand. Als je geen ramadan houdt, mag je iets vertellen over je verjaardag.

OPDRACHT
Vertel iets over ramadan. Schrijf minimaal vier hele zinnen. Denk aan:
– Hoelang duurt het feest en wanneer begint het?
– Waarom vier je het?
– Wat doe je allemaal tijdens ramadan? En moet iedereen meedoen?

Probeer nu eerst de oefening te maken. Schrijf een stukje tekst. Kijk daarna pas onder het plaatje!
Onder het plaatje staat een mogelijk antwoord. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer antwoorden goed. Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!
Veel succes en ramadan mubarak!

ramadan_2018 (c)uilentaal, lekkers ter gelegenheid van Ramadan, gekregen van een van mijn leerlingen :-))

(c) uilentaal, lekkers ter gelegenheid van ramadan, gekregen van een van mijn leerlingen :-))

Goede teksten kunnen zijn:
1) Ramadan
De ramadan duurt een maand. Het begint elk jaar op een andere dag, dat komt door de maan.
Ik vier het, omdat het de vastenmaand is in islam. Die is heel belangrijk.
Overdag mag je niet eten en drinken. Als de zon onder is, eten we lekkere hapjes.
Je hoeft niet te vasten, als je ziek of zwanger bent.
2) Verjaardag
Ik ben elk jaar in januari jarig.
Ik vier mijn verjaardag, omdat ik het gezellig vind.
Ik krijg familie en vrienden op bezoek.
Wij praten samen en eten en drinken lekkere dingen.

iets vertellen over uzelf – de hobby

Voor mijn leerlingen!

Het examen schrijven verandert vanaf mei 2018 een beetje! Je moet dan ook een keer “iets vertellen over uzelf” zoals DUO het noemt op de site.
Daarom gaan we daarmee gelijk maar oefenen! :))

OPDRACHT
Vertel iets over uw hobby. Schrijf minimaal vier hele zinnen. Denk aan:
– Hoe lang ben ik al bezig met mijn hobby?
– Waarom vind ik mijn hobby zo leuk?
– Hoeveel tijd besteed ik aan mijn hobby in de week?

Probeer nu eerst de oefening te maken. Schrijf een stukje tekst over jouw hobby. Kijk daarna pas onder het plaatje!
Onder het plaatje staat een mogelijk antwoord. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer antwoorden goed. Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!
Veel succes!

Een goede tekst kan zijn:
1 (vrouw)
Mijn hobby is decoreren. Ik heb mijn hobby al sinds mijn jeugd.
Ik vind het leuk om mijn huis mooi te maken, omdat ik van mooie spullen (=dingen) houd.
Elke week ben ik wel een paar uur bezig met mijn hobby.
Ik verander de inrichting van mijn woonkamer dan een beetje.

2 (man)
Mijn hobby is voetballen. Ik heb mijn hobby al sinds mijn jeugd.
Ik vind voetballen leuk, omdat het gezond en gezellig is.
Elke week voetbal ik wel drie avonden.
Ik spreek dan ook mijn vrienden en wij hebben plezier.

praten in hele zinnen -3

(c) lezenmetkids.wordpress.comVoor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een aantal vragen mèt het begin van de antwoorden. Je kunt de zinnen dan alleen oefenen! Het is een goede oefening voor het praten op je examen. Je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

Een beetje GRAMMATICA:
Een normale zin begint in het Nederlands altijd met het onderwerp (bijvoorbeeld: ik, de school, de tandarts….). Daarna komt de persoonsvorm van het werkwoord. (bijvoorbeeld eet,  houd, kook, kijk ……).
Bijvoorbeeld: Ik eet vaak pasta.
In een vraagzin draaien wij dit om. Dat heet inversie of omdraaiing.
Bij een inversie of omdraaiing zie je dus eerst de persoonsvorm van het werkwoord en daarna pas het onderwerp.
Bijvoorbeeld: Eet u vaak pasta?
Soms begint de vraagzin hieronder met de persoonsvorm van het werkwoord. Je maakt dan een antwoord met “ja” of “nee” en daarachter een normale zin (voorbeeld A).
Soms begint de vraagzin met een vraagwoord. Een vraagwoord is bijvoorbeeld welk, wat, hoe, wanneer, waarom. Je maakt dan direct een antwoord met een normale zin (voorbeeld B).

A) voorbeelden:
Eet u vaak pasta?
Ja, ik eet vaak pasta.
Nee, ik eet nooit pasta.
B)
Welk gerecht eet u vaak?
Ik eet vaak pasta.

Hier zijn de vragen:

1)
Wat voor
groente eet u vaak? (wat voor = welk/e)
Ik eet
vaak ……..
2)
Hoe vaak eet u deze groente?
Ik eet deze groente………
3)
Houdt u van koken?
Ja, ik houd ……..
Nee, ik houd niet……
4)
Wat kookt u dan het liefst?
Ik kook ………
5)
Naar welke TV-zender kijkt u vaak?
Ik kijk
vaak ………….. (zender= BBC / NPO 1 / Al Jazeera / RTL4, ………)
6)
Welk programma op deze zender vindt u leuk of interessant?
Ik vind …………… (programma= het nieuws, de detectivefilm, het jeugdjournaal, VT-wonen) leuk.
7)
Gaat u naar school?
Ja, ik ga……..
Nee, ik ga…….
8)
Welke dagen gaat u naar school?
Ik ga
op…….
9)
Hoe laat begint de school?
De school begint om ………
10)
En hoe laat is de school afgelopen?
De school is ……………………………… afgelopen.
11)
Bent u ook druk in de week?
Ja, ik ben………………
Nee, ik ben niet ………………
12)
Wat doet u dan allemaal?
Ik ga ………………………..
Ik haal .………………………..
Ik moet naar ……………………
13)
Heeft u veel huiswerk van school?
Ja, ik heb ……………………..
Nee, ik heb niet ………………….
14)
Welk huiswerk vindt u het moeilijkst?
Ik vind ……………………………………………… het moeilijkst.
15)
Wilt u een afspraak maken?
Ja, ik wil ……………………………………. maken.
16)
Wanneer wilt u dan een afspraak hebben?
Ik wil
………………………………..
17)
Hoe vaak gaat u naar de tandarts?
Ik ga ……………………………………. naar de tandarts.
18)
En wat doet de tandarts dan?
De tandarts kijkt ………………………………
De tandarts boort ………………………………
De tandarts vult …………………………………
19)
Gaat u wel eens naar de dokter?
Ja, ik ga ………………………………….. dokter.
Nee, ik ga nooit ………………………………… dokter.
20)
Waarom gaat u dan naar de dokter?
Ik ga naar de dokter, omdat …………………………

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens herhalen. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken.
We kunnen de zinnen in de les samen oefenen, als je dat wilt.

oefenexamen spreken: vragen én antwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden. Zoals je kunt lezen, zijn er meerdere antwoorden die goed kunnen zijn.
Let op de vetgedrukte woorden, die zijn belangrijk bij het maken van jouw antwoord.

Het gaat om oefenexamen 1.

1) Reist u vaak met de bus? Vertel ook waarom.
Ja ik reis vaak met de bus, omdat het makkelijk is.
óf
Nee, ik reis niet vaak met de bus, omdat ik op de fiets ga.

2) Wat vindt u een leuk programma op TV? Vertel ook welk programma u niet leuk vindt.
Ik vind het jeugdjournaal een leuk programma, maar ik vind een enge film niet leuk.
óf
Ik vind het journaal leuk. Het jeugdjournaal vind ik niet leuk.

3) Wat voor fruit eet u vaak? Vertel ook hoe vaak u fruit eet.
Ik eet vaak sinaasappels. Ik eet elke dag fruit.
óf
Ik eet elke dag wel een banaan.

4) In Nederland regent het vaak. Wat vindt u daarvan? Vertel ook hoe het weer is in uw eigen land.
Ik vind regen niet leuk. Het weer in mijn eigen land is lekker warm.
óf
Ik houd van de regen. In mijn eigen land regent het bijna niet.

5) Hoe vaak gebruikt u uw telefoon? Vertel ook waarvoor u uw telefoon gebruikt.
Ik gebruik mijn telefoon elke dag, om mijn moeder te bellen.
óf
Ik gebruik mijn telefoon elke dag. Ik gebruik het om te bellen.

6) Ik was vandaag te laat op mijn werk. Waarom bent u wel eens te laat? Zeg ook wat u dan doet.
Ik ben wel eens te laat omdat ik mij verslaap. Dan bel ik mijn werk.
óf
Ik ben wel eens te laat, omdat de bus weg is. Dan bel ik mijn baas.

7) Wat leest u graag? Zeg ook hoe vaak u leest.
Ik lees graag een boek. Ik lees elke week.
óf
Ik lees graag de krant elke dag.

8) Ik krijg het liefst bloemen als ik jarig ben. Wat krijgt u het liefst cadeau? Vertel ook waarom.
Ik krijg ook het liefst bloemen, omdat ik van bloemen houd.
óf
Ik krijg het liefst een boek als ik jarig ben, omdat ik van lezen houd.

9) Wat voor eten maakt u het liefst? Vertel ook hoe u dat maakt.
Ik maak het liefst pasta. Ik kook de pasta in heet water.
óf
Ik maak het liefst aardappelen met groente. Ik kook de aardappelen en groente in de pan.

10) Ik wil graag leren schilderen. Wat wilt u graag leren? Zeg ook waar u dat kunt leren.
Ik wil ook graag leren schilderen. Dat kan ik in Den Haag leren.
óf
Ik wil graag leren naaien in Rotterdam.

11) Wat doet u het liefst als het mooi weer is? En zeg ook waar u dat doet.
Ik ben het liefst buiten, in het park.
óf
Ik ga het liefst zwemmen als het mooi weer is. Ik zwem in zee.

12) Wat voor werk doet u nu? Vertel ook wat voor werk u vroeger deed.
Ik doe nu schoonmaakwerk. Vroeger werkte ik op kantoor.
óf
Ik werk nu in de tuinbouw. Vroeger was ik chauffeur.

Veel succes met het oefenen! Én met het examen!!

schrijfopdracht -stuur een e-mail-4

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek: een nieuwe schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen!

Hoe was het ook al weer? Even herhalen:
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je moet jouw huurtoeslag voor het eerst aanvragen en je wilt het snel ontvangen, daarom doe je het via Vluchtelingenwerk in jouw gemeente. Schrijf een e-mail aan de heer Piet Janssen van Vluchtelingenwerk.

– schrijf (bedenk zelf) het e-mailadres van Vluchtelingenwerk in de mail;
– schrijf een “betreft” of “onderwerp”-regel in de mail.

1) Schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

2) Schrijf de inhoud van de e-mail.
Vraag om een afspraak met de heer Janssen om samen de huurtoeslag versneld aan te kunnen vragen. Schrijf op welke dagen je wel en op welke dagen je beslist niet kunt. Vraag om een dag en tijdstip waarop de heer Janssen jou kan ontvangen.

3) Schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Succes! Lever het gemaakte werk bij mij in en ik kijk het voor je na!