oefenexamen spreken vragen én antwoorden -2

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden.

Het gaat om oefenexamen 3.

1)
Ik woon in het centrum van een grote stad. Waar woont u? Vertel ook hoe u dat vindt.
Ik woon in het centrum van een dorp. Ik vind dat gezellig en rustig.
2)
Met wie eet u meestal samen? Zeg ook waar u het liefst eet.
Ik eet meestal samen met mijn familie. Ik eet het liefst thuis.
3)
Waar heeft u Nederlandse les? Zeg ook hoelang u al les hebt.
Ik heb Nederlandse les in Den Haag. Ik heb al bijna drie jaar les.
4)
Ik heb een nieuwe trui gekocht. Wat hebt u kortgeleden gekocht? Vertel ook waar u dat hebt gekocht.
Ik heb kortgeleden een nieuwe broek (of jurk) gekocht bij de H&M in de stad. (oeps…. beetje sluikreclame ;))
5)
Wat vindt u beter in uw eigen land dan in Nederland? Vertel ook waarom.
Ik vind het weer in mijn eigen land beter, omdat het altijd mooi weer is.
6)
Welke stad zou u graag willen zien. Zeg ook wat u daar wilt doen.
Ik zou graag Parijs willen zien. Daar wil ik dan vrienden bezoeken.
7)
Ik heb op school leren lezen. Wat hebt u op school geleerd. Zeg ook wat u het leukst vond om te leren.
Ik heb op school ook leren lezen. Ik vond schrijven het leukst om te leren.
8)
Ik moet soms ’s nachts werken. Wanneer werkt u het liefst? Vertel ook waarom.
Ik werk het liefst overdag, omdat mijn vrienden ook overdag werken.
9)
Hoevaak leest u de krant? Vertel ook wat u van de krant vindt.
Ik lees elke dag de krant en vind de krant heel interessant.
10)
Wat kunt u goed? Vertel ook van wie u dat geleerd hebt.
Ik kan goed lezen. Dat heb ik van de docent geleerd.
11)
Wat voor eten maakt u het liefst? Vertel ook wat u daarvoor nodig hebt.
Ik maak het liefst pasta. Daarvoor heb ik water, pasta, groente en vlees nodig.
12)
Waarmee speelde u vroeger het liefst. Vertel ook waar.
Ik speelde vroeger het liefst bij mijn vriendin midden in het dorp.

Veel succes met oefenen!

 

Advertenties

oefenexamen spreken vragen én antwoorden

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden.

Het gaat om oefenexamen 2.

1)
Veel nederlanders eten om 18.00u ’s avonds. Wat vindt u daarvan? Zeg ook wanneer u zelf meestal eet.
Ik vind het prima. Ikzelf eet meestal ook om 18.00 uur.
2)
Naar welke muziek luistert u graag? Zeg ook hoe vaak u daar naar luistert.
Ik luister graag naar popmuziek. Ik luister het bijna elke dag.
3)
Ik houd niet van katten. Welk dier vindt u niet leuk? Vertel ook waarom.
Ik houd niet van paarden want ze zijn groot en gevaarlijk.
4)
Ik heb geen rijbewijs. Hebt u een rijbewijs? Vertel ook hoe u dat vindt.
Ik heb ook geen rijbewijs. Ik vind dat jammer en lastig.
5)
Wat gaat u morgen doen? Vertel ook hoe laat u dat gaat doen.
Ik ga morgen naar school om 9.00 uur.
6)
Wat is de mooiste plaats waar u geweest bent? Vertel ook waarom u daar was.
Amsterdam is de mooiste plaats waar ik geweest ben. Ik was daar bij vrienden op bezoek.
7)
Ik werk graag samen met anderen. Hoe werkt u het liefst? Vertel ook waarom.
Ik werk ook graag samen met anderen, omdat ik dat gezellig vind.
8)
Ik ga graag naar het strand. Wat vindt u leuk aan het strand? Vertel ook wat u niet leuk vindt aan het strand.
Ik vind het strand leuk om te ontspannen. Ik vind het strand niet leuk als het koud is.
9)
Wat vindt u van het weer in Nederland? Vertel ook hoe het weer is in uw eigen land.
Het weer in NL vind ik koud en nat. Het weer in mijn eigen land is heet en zonnig.
10)
Ik wandel vaak naar mijn werk. Wat vindt u van wandelen? Vertel ook waarom.
Ik vind wandelen leuk omdat het gezond is.
11)
Wat was er deze week in het nieuws? Zeg ook wat u daarvan vindt. De verkiezingen waren in het nieuws. Ik vind dat interessant.
12)
Ik vind het belangrijk om gezond te eten. Wat vindt u gezond. Vertel ook wat u niet gezond vindt.
Ik vind het gezond om te sporten. Zoet en vet eten vind ik niet gezond.

Veel succes met het oefenen en het examen!!

dag, maand, jaar

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd. Dit keer gaat het over dagen, maanden en jaren.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt. Kijk goed naar de plaats van een woord in de zin.

1. Hoeveel maanden heeft één jaar?
Één jaar heeft 12 maanden.

2. En hoeveel weken heeft één jaar?
Één jaar heeft 52 weken.

3. Hoeveel dagen heeft een jaar?
Een jaar heeft 365 dagen.

4. Hoeveel dagen heeft een week?
Een week heeft 7 dagen.

5. Hoeveel dagen heeft een maand?
Een maand heeft 28 of 30 of 31 dagen.

6. Welke maand heeft 28 dagen?
Februari heeft 28 dagen.

7 Hoeveel uren gaan er in een dag?
Er gaan 12 uren in een dag.

8. En hoeveel uren gaan er in een nacht?
Er gaan ook 12 uren in een nacht.

9. En hoeveel uren gaan er in een etmaal?
In een etmaal gaan 24 uren.

10. Hoeveel minuten heeft een uur?
Een uur heeft 60 minuten.

11. Welke maand is de eerste maand in het jaar?
Januari is de eerste maand in het jaar.
De eerste maand in het jaar is januari.

12. In welke maanden is het winter?
In de maanden december, januari en februari is het winter.
Het is winter in de maanden december, januari en februari.

13. Is de winter in Nederland koud?
Ja, de winter in Nederland is koud.

14. Is de winter in Eritrea koud?
Nee, de winter in Eritrea is warm!

15. In welke maand begint de lente?
De lente begint in de maand maart.

16. En in welke maanden is het lente in Nederland?
In Nederland is het lente in de maanden maart, april en mei.

17. Is de lente warm in Afrika?
Ja, de lente in Afrika is heel warm.

18. Wanneer begint de zomer in Nederland?
In Nederland begint de zomer in de maand juni.

19. In welke maanden is het zomer in Nederland?
In Nederland is het zomer in de maanden juni, juli en augustus.

20. Is de zomer in Nederland warm?
Ja, de zomer in Nederland is erg warm.

21. Wanneer begint de herfst in Nederland?
In Nederland begint de herfst in september.

22. In welke maanden is het herfst?
Het is herfst in de maanden september, oktober en november.

23. Regent het vaak in de herfst?
Ja, in de herfst regent het heel vaak.

24. Staat er veel wind op een herfstdag?
Ja, er staat veel wind op een dag in de herfst. (een herfstdag = een dag in de herfst).

25. In welke maanden gaan de mensen in Nederland op vakantie?
In Nederland gaan de mensen op vakantie in de maanden juli en augustus.

praten over tijd

"de tijd vliegt" (c)inleerinbeelden.nl

(c) ikleerinbeelden.nl

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt.

1. Hoe laat is het?
Het is 9 uur / 12 uur / 3 uur na de middag / 8 uur ’s avonds / 12 uur ’s nachts.

2. Hoe laat begint de ochtend?
De ochtend begint om 6 uur. (=06.00 uur)

3. Hoe laat begint de middag?
De middag begint om 12 uur.

4. Hoe laat begint de avond?
De avond begint om ongeveer 6 uur. (=18.00 uur)

5. Hoe laat begint de nacht?
De nacht begint om 12 uur (=24.00 uur)

6. Kijk jij TV?
Ja, ik kijk soms TV.

7. Hoe laat kijk jij TV?
Ik kijk soms om 4 uur ’s middags TV (=16.00 uur)
Ik kijk soms om 8 uur ’s avonds TV (=20.00 uur)

8. Hoe laat is het nieuws in Nederland op TV?
Het nieuws is om 6 uur of 8 uur ’s avonds op TV (=18.00 uur en 20.00 uur).

9. Kijk jij ook ’s avonds naar het nieuws?
Ja, ik kijk elke avond naar het nieuws.

10. Hoe laat ga jij naar bed?
Ik ga om ongeveer 11 uur naar bed (=23.00 uur).

11. En hoe laat ga jij in het weekend naar bed?
In het weekend ga ik later naar bed.
In het weekend ga ik
pas om 12 uur naar bed. (=24.00 uur)

12. Slaapt iedereen ’s nachts?
Nee, niet iedereen slaapt ’s nachts.
Ja, bijna iedereen slaapt ’s nachts.

13. Wie slapen niet ’s nachts?
Mensen die ’s nachts werken, slapen niet.

14. Werk jij ’s nachts?
Nee, ik werk overdag.

15. Hoe laat is het ’s avonds donker in de zomer?
In de zomer is het ’s avonds om ongeveer 10 uur donker. (=22.00 uur)

16. Hoe laat is het ’s avonds donker in de winter?
In de winter is het ’s avonds om ongeveer 5 uur donker (=17.00 uur).

17. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de zomer?
In de zomer wordt het ’s ochtends om 5 uur licht.

18. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de winter?
In de winter wordt het ’s ochtends om half 9 licht. (=08.30 uur)

19. Kijk jij ’s ochtends TV?
Nee, ’s ochtends kijk ik geen TV.
Nee, ’s ochtends werk ik.

 

praten in hele zinnen -2

(c) lezenmetkids.wordpress.comVoor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een aantal vragen. Het zijn vragen waarop je in hele zinnen moet antwoorden. Het is een goede oefening voor het praten op je examen.

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– let goed op de vetgedrukte woorden;
– soms begint de zin met een werkwoord, je kunt dan antwoorden met ja of nee;
– soms begint de zin met een vraagwoord, je moet dan zelf woorden bedenken;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– als je de vragen begrijpt, probeer ze dan te beantwoorden;
– je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

0) voorbeelden:
Eet u vaak pasta?
Ja, ik eet vaak pasta.
Nee, ik eet nooit pasta.

Welk gerecht eet je vaak?
Ik eet vaak pasta.

1)
Welk fruit eet u vaak?
2)
Houdt u van de sneeuw in de winter in Nederland?
3)
Kijkt u vaak naar de Nederlandse TV?
4)
Welk programma op de Nederlandse TV vindt u leuk?
5)
Welk programma op de Nederlandse TV vindt u interessant?
6)
Gebruikt u de computer veel?
7)
Wat voor eten vindt u het lekkerst?
8)
Wat doet u in het weekend, als u vrij bent?
9)
Waar koopt u uw boodschappen?
10)
Wanneer leert u uw huiswerk meestal?
11)
Kookt u vaak eten?
12)
Wat voor eten kookt u dan?
13)
Heeft u ook hobby’s?
14)
Welke hobby’s heeft u?
15)
Hoe gaat u naar het centrum van de stad?
16)
Gaat u het liefst op de fiets of met de tram?
17)
Wat vindt u niet leuk in Nederland?
18)
Welke dingen vindt u niet leuk in uw eigen land?
19)
Gaat u vaak op de fiets in Nederland?
20)
Kunt u auto rijden?

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens opnieuw beantwoorden. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken. We kunnen de zinnen in de les een keer samen doen.

Hier kan je nog meer leren praten in hele zinnen.

praten op jouw examen -3

Voor mijn leerlingen!

Hieronder zie je nog een keer 15 helemaal nieuwe (!!) vragen. Het zijn vragen zoals ze op jouw inburgeringsexamen spreekvaardigheid ook kunnen worden gesteld.

Het zijn bijzondere vragen want ze bestaan uit drie delen:
1) de man of vrouw die jou iets vraagt, zegt eerst iets over zichzelf, iets wat hij of zij zelf vindt of doet, bijvoorbeeld:
In mijn vrije tijd fiets ik veel.
Luister goed naar deze eerste zin, je kunt het gebruiken bij jouw eigen antwoord!

2) daarna vraagt hij of zij daarover iets aan jou, bijvoorbeeld:
Fietst u ook veel?
Hierop kan je een kort antwoord geven, waarbij je stukken uit de vraag kunt gebruiken! (Ja, ik fiets ook veel / Nee, ik fiets niet veel / Nee, ik fiets nooit.)
3) en tot slot vraagt hij of zij nog iets meer daarover, bijvoorbeeld:
Vertel ook waarom u wel of niet fietst.
Hierop moet je ook een antwoord geven, let hierbij goed op het vraagwoord dat je hoort! (waarom? welke? hoe vaak? wat voor? hoeveel? hoe?)

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– kijk goed naar de drie delen die je in elke vraag ziet;
– probeer ze nu te beantwoorden;
– geef jezelf 15 seconden de tijd om de vraag te beantwoorden.
– wil je de zinnen een keer met mij in de les oefenen, vraag me dan!

Veel succes!

  1. Ik vind Italië een mooi land omdat ik van kunst houd. Welk land vindt u mooi? En waarom?
  2. Ik ben bijna nooit kwaad. Bent u wel eens kwaad? En wanneer bent u dan kwaad?
  3. Ik eet ’s ochtends altijd yogurt en ik drink thee. Wat eet en drinkt u ’s ochtends als ontbijt?
  4. Ik vind Delft een mooie stad in Nederland, er is veel te zien en het is gezellig. Wat vind u een mooie stad in Nederland en waarom?
  5. Op vakantie logeer ik in een vakantiewoning midden in het bos. Hoe zoudt u het liefst op vakantie willen gaan en waarom?
  6. Mijn verjaardag vier ik altijd in kleine kring én ik ga met mijn man uit eten. Wat doet u het liefst met uw verjaardag?
  7. In Nederland is er soms erg hoog water. De huizen staan onder of de rivieren stromen over. Wat vindt u daarvan?
  8. Ik vind het leuk om bezoek te krijgen. Vindt u het leuk om bezoek te krijgen? En waarom?
  9. Ik woon in Den Haag. In welke stad woont u? En sinds wanneer woont u daar?
  10. Ik heb veel hobby’s Ik fiets en ik wandel. Wat heeft u voor hobby’s?
  11. Ik heb een paar jaar Arabisch geleerd en vond dat erg moeilijk. Vindt u de Nederlandse taal moeilijk? En wilt u ook nog een andere taal leren?
  12. Mijn kinderen gaan naar de middelbare school. Wat weet u van de Nederlandse middelbare school?
  13. Ik ben directiesecretaresse, maar ik doe nu iets anders. Wat is uw beroep? En wilt u dat altijd blijven?
  14. Ik houd van mooie dingen in huis. Ik koop best veel mooie dingen voor mijn huis. Wat koopt u veel?
  15. Ik houd van de bossen. Sommige mensen houden van de polders of van de grote stad. Waarvan houd u het meest en waarom?

Wil je nog meer oefenen met examenvragen? Kijk dan hier of hier (met veel dank aan Ad Appel!).

werkwoorden in beeld

Voor mijn leerlingen!

Hier zien jullie telkens 3 tekeningen (=plaatjes, “foto’s”) naast elkaar op één rij. Er zijn 6 rijen hier op de plaat. Probeer van elke tekening zoveel mogelijk te vertellen. Hieronder staan zinnen die je zou kunnen zeggen. Het is goed deze zinnen vaak te oefenen. Je leert zo goed vertellen wat je doet. Je leert werkwoorden gebruiken.
Probeer over een tijdje ook nog eens iets te vertellen in de verledentijd (=vroeger, gisteren). Of probeer het voltooid deelwoord (het “ge-woord”) te gebruiken, bijvoorbeeld: de jongen heeft zijn tanden gepoetst.
Je kunt ook doen alsof jijzelf op het plaatje staat, bijvoorbeeld: Ik poets mijn tanden. Ik heb mijn tanden gepoetst.

werkwoordeninbeeld

1e rij, van links naar rechts:
1)
De jongen / hij poetst zijn tanden.
De jongen draagt een blauw t-shirt.
Er ligt tandpasta voor hem.
De jongen heeft een beker. De jongen houdt een beker vast.
2)
Het jongetje zit op de rekstok.
Het jongetje speelt op de rekstok.
De jongen draagt blauwe schoenen.
De jongen heeft een wit t-shirt aan.
3)
De man / de jongen kleedt zich aan.
De man doet een truin aan.
De trui van de man is geel.
De man heeft ook een spijkerbroek.
De man heeft de spijkerbroek (nog) niet aan.
De man draagt een onderbroek.

2e rij van links naar rechts:
1)
De jongen gaat naar school
De jongen draagt een rugtas.
De jongen draagt een gele trui en een licht bruine broek.
De broek is een korte broek.
De jongen heeft donker haar en bruine schoenen.
De jongen draagt bruine schoenen.
2)
De man ligt in bed.
De man slaapt.
Het bed is blauw.
Wat ligt er naast het bed?
Ligt er een knuffelbeer in bed?
3)
Twee jongens koken eten.
De jongen links kookt in een pan.
De jongen rechts heeft iets op een bord.
Welke kleuren t-shirts dragen de jongens?

3e rij van links naar rechts:
1)
Drie kinderen spelen. Drie kinderen kaarten.
Zij spelen met een kaartspel.
Eén jongen is boos.
Wat voor kleren dragen de jongens?
2)
Twee jongens spelen voetbal.
Eén jongen ligt op de grond.
De jongens dragen sportkleding.
Welke kleuren heeft de kleding?
3)
Het meisje speelt blokfluit.
Het meisje maakt muziek.
Het meisje heeft twee vlechten in het haar.
Wat voor kleur haar heeft het meisje?
Wat kan je vertellen over de kleding van het meisje?

4e rij van links naar rechts:
1)
De jongen rent.
De jongen loopt hard.
De jongen heeft kort, zwart haar.
De jongen heeft een roze korte broek en een wit t-shirt aan.
Wat draagt de jongen aan zijn benen en voeten?
2)
Het kind zit aan de tafel.
Het kind schrijft.
Slaapt het kind?
Welke kleding draagt het kind?
Wat voor haren heeft het kind?
Is het kind een jongen of een meisje?
3)
Er ligt iemand in bad.
Kan je ook zien wie er in bad ligt?
Wat hangt er boven het bad?

5e rij van links naar rechts:
1)
Er staat iemand onder de douche.
Staat er een man of een vrouw onder de douche?
Wat doet de man of vrouw onder de douche?
2)
De jongen zet twee zakken op straat.
Welke kleuren hebben de zakken?
Wat draagt de jongen?
Wat zit er in de zakken, denk je?
3)
De jongen is aan het bellen.
De jongen telefoneert.
Wat heeft de jongen in de hand?
Hoe ziet de jongen er uit?

6e rij van links naar rechts:
1)
De jongen loopt met de hond.
De jongen laat de hond uit.
Wat moet de hond doen, denk je?
Wat heeft de jongen nog meer in zijn hand?
2)
De mevrouw wast haar haren.
De mevrouw wast haar haren boven de wasbak.
Wat gebruikt de mevrouw bij het wassen?
3)
De jongen wast zijn handen boven de gootsteen.
Misschien doet de jongen de afwas?
Wat hangt er boven de gootsteen aan de muur?
Waar in huis is de gootsteen?

modale werkwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

Ik geef jullie hier nog een paar handige zinnen met de modale werkwoorden kunnen, mogen, moeten, willen, en zullen erin.

De werkwoorden in de zinnen heb ik vet gemaakt. Let goed op de plaats van de werkwoorden in de zin.

Leer ze goed en herhaal ze vaak!
Je kunt deze zinnen ook heel goed gebruiken in een brief, een e-mail of een kaartje! Het zijn dus belangrijke zinnen!
De laatste zinnen kan je ook goed onderweg, in de stad of in de tram gebruiken.

Ik wil graag een afspraak maken.
Ik kan niet op de vrijdag komen.
Wanneer kunt u met mij praten?
Ik kan volgende week maandag en woensdag bij u komen.
Op welke dag en hoelaat kunt u met mij praten?
Ik wil graag een paar dingen vragen.
Mag ik u wat dingen vragen?
Kan
ik u een paar dingen vragen?
Mag
ik u volgende week/morgen/vrijdag bellen?
Kan
ik u donderdag bellen?
Mag
ik een afspraak met u maken?

Wilt u mij snel antwoorden?
Wilt u mij snel antwoord geven?
Kunt u mij morgen of overmorgen antwoorden?
Kunt u mij volgende week bellen?
Wilt u mij volgende week bellen?
Wilt u mij met dat probleem helpen?
Kunt u mij met de computer helpen?

Zullen we volgende week gaan winkelen?
Zullen we morgen samen iets gezelligs gaan doen?
Zullen
we donderdag iets leuks afspreken?
Zullen
we zaterdag naar de stad gaan?
Wil
jij morgen met mij naar de film/bioscoop/theater/stad?
Kan jij morgen bij mij langskomen?
Waar zullen we afspreken?

En nog een paar zinnen voor onderweg, in de stad:

Dag mevrouw, mag ik hier gaan zitten?
Sorry meneer, mag ik hier alstublieft zitten?
Oh mevrouw, wilt u hier misschien zitten?
Mevrouw, kan ik u misschien helpen?
Meneer, zal ik u even helpen?
Mevrouw, kunt u deze 5 euro misschien wisselen in munten?
Mag ik deze jurk ruilen, de kleur is fout?
Kan ik deze broek ruilen, hij is te klein?
Dag meneer, mag ik u iets vragen?
Dag mevrouw, kunt u mij zeggen, waar de tramhalte voor lijn 6 is?

Wil je nog meer zinnen leren of herhalen met modale werkwoorden, klik dan op deze link.

maak een vraagzin!

Hieronder staan 20 “gewone” Nederlandse zinnen. Ze beginnen met het onderwerp (hij, zij, jij, ik, moeder, de kinderen, de vrouw enz. ……) en daarna komt de persoonsvorm (het enige vervoegde werkwoord dat bij het onderwerp hoort), tot slot komt de rest van de zin.

Opdracht:
Maak van de zinnen hieronder telkens een vraagzin. Dat is een zin met een vraagteken (=?) op het eind.
Als je de zinnen een keer wilt oefenen in de les, vraag me er dan naar.

Veel succes!

1. Moeder koopt veel boodschappen.
2. De kinderen eten elke dag pasta!
3. Badria heeft een feest met Sinterklaas.
4. De zussen gaan mee naar het dorp.
5. Hassan moet elke dag werken.
6. Sadia gaat naar het ziekenhuis.
7. Emma fietst elke dag naar school.
8. Ronald gaat elke dag met de tram.
9. Britta maakt een mooie tekening.
10. Pascal schrijft veel nieuwe woorden.
11. Erna leert elke avond Nederlands.
12. De kinderen gaan wandelen.
13. De mannen werken hard.
14. Moeder kookt elke dag soep.
15. Ahmed heeft een konijn.
16. Henk gaat op de fiets naar het werk.
17. De meisjes gaan samen koffie drinken.
19. Esther gaat met de trein naar Utrecht.
20. Nadia haalt boeken bij de bibliotheek.

praten op jouw examen -2

Voor mijn leerlingen!

Hieronder zie je nog een keer 15 vragen (met dank aan Ad Appel). Het zijn vragen zoals ze op jouw inburgeringsexamen spreekvaardigheid ook kunnen worden gesteld.

Het zijn bijzondere vragen want ze bestaan uit drie delen:
1) de man of vrouw die jou iets vraagt, zegt eerst iets over zichzelf, iets wat hij of zij zelf vindt of doet, bijvoorbeeld:
In mijn vrije tijd fiets ik veel.
Luister goed naar deze eerste zin, je kunt het gebruiken bij jouw eigen antwoord!

2) daarna vraagt hij of zij daarover iets aan jou, bijvoorbeeld:
Fietst u ook veel?
Hierop kan je een kort antwoord geven, waarbij je stukken uit de vraag kunt gebruiken! (Ja, ik fiets ook veel / Nee, ik fiets niet veel / Nee, ik fiets nooit.)
3) en tot slot vraagt hij of zij nog iets meer daarover, bijvoorbeeld:
Vertel ook waarom u wel of niet fietst.
Hierop moet je ook een antwoord geven, let hierbij goed op het vraagwoord dat je hoort! (waarom? welke? hoe vaak? wat voor? hoeveel? hoe?)

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– kijk goed naar de drie delen die je in elke vraag ziet;
– probeer ze nu te beantwoorden;
– geef jezelf 15 seconden de tijd om de vraag te beantwoorden.
– wil je de zinnen een keer met mij in de les oefenen, vraag me dan!

Veel succes!

Wanneer je de vragen nog erg moeilijk vindt, dan is het nog te vroeg om ze te oefenen. Wacht dan nog even met het beantwoorden en probeer het over een paar maanden nog eens. Je hebt nog tijd genoeg voor je examen!

0. In mijn vrije tijd fiets ik veel. Fietst u ook veel? Vertel ook waarom u wel of niet fietst.

1. Ik haal altijd op vrijdagavond boodschappen. Wanneer haalt u boodschappen en wat haalt u dan allemaal? Of bij wie?

2. Ik heb mn huis modern ingericht. Hoe heeft u uw huis ingericht? Vertel ook waarom u dat zo gedaan heeft.

3. Ik wil later in Spanje gaan wonen. Dat is mijn ideale land. Wat is uw ideale land? En vertel ook waarom.

4. Ik ben wel eens boos. Bent u ook wel eens boos? In welke situaties of wanneer bent u boos?

5. Ik neem elke dag muesli en fruit bij mijn ontbijt. En ik drink ook thee. Wat neemt u bij uw ontbijt?

6. Amsterdam is de hoofdstad van Nederland. Er zijn veel kanalen/grachten en ook veel musea in Amsterdam. Wat kunt u vertellen over de hoofdstad van uw eigen land?

7. Sommige mensen hebben een vakantiehuis. Waar zoudt u een vakantiehuis willen hebben en vertel ook waarom juist daar.

8. Veel Nederlanders hebben een of meer huisdieren. Hebt u ook huisdieren? Vertel ook waarom u wel of geen huisdieren hebt.

9. Als ik op vakantie ga, slaap ik het liefst in een duur hotel. Waarheen gaat u het liefst op vakantie en vertel ook waarom u dat leuk vindt.

10. Gaat u wel eens op reis naar een mooie stad? En welke stad vindt u een mooie stad? En hoe gaat u naar die stad?

11. Ik vier mijn verjaardag het liefst met vrienden en familie. Wat doet u op uw verjaardag?

12. Ik gebruik mijn telefoon heel vaak. Waarvoor gebruikt u uw telefoon?

13. In Nederland regent het heel vaak. Wat vindt u daarvan? En hoevaak regent het in het land waar u geboren bent?

14. Ik vind het leuk om cadeautjes te krijgen. Vindt u het ook leuk om cadeautjes te krijgen? Vertel ook wat u het leukst vindt om te krijgen.

15. Ik woon in Rotterdam. In welke stad woont u nu? En sinds wanneer woont u daar?