bezittelijke voornaamwoorden

Voor mijn leerlingen!

Wij gaan nu de woorden mijn, jouw, zijn, haar, ons/onze, jullie en hun gebruiken. Deze woorden noemen we bezittelijke voornaamwoorden. Ze geven aan dat het woord dat erachter staat jouw bezit is, het is van jou.

Bijvoorbeeld, je kunt zeggen:
Ik heb een boek.= Het boek is van mij. = Het is mijn boek.

“Mijn” is het bezittelijk voornaamwoord. Achter “mijn” staat “boek”. Het boek is dus jouw bezit. Je kunt ook zeggen: ik heb een boek. Of je kunt zeggen: het boek is van mij. Het betekent allemaal hetzelfde.

Zo kunnen we ook bezittelijke voornaamwoorden bij jij, hij, zij, wij, jullie, u en zij (meervoud) maken. Deze zinnen worden dan als volgt.

Jij hebt een fiets.= De fiets is van jou. = Het is jouw fiets.
Hij heeft een hond.= De hond is van hem. = Het is zijn hond.
Zij heeft twee zussen.= De zussen zijn van haar. = Het zijn haar zussen.
Wij hebben een boot. = De boot is van ons. = Het is onze boot. (lidwoord de boot >> wordt onze boot)
Wij hebben een huis.= Het huis is van ons. = Het is ons huis. (lidwoord het huis >> wordt ons huis)
Jullie hebben een grote tuin. = De tuin is van jullie. = Het is jullie tuin.
U heeft een mooi horloge. = Het horloge is van u. = Het is uw horloge.
Zij (meervoud) hebben een grote familie. = De familie is van hen. = Het is hun familie.

Probeer nu de volgende oefening in te vullen. Kijk goed naar de vetgedrukte woorden tussen haakjes.

1: (ik)_________ kamer is een grote bende terwijl (hij)_________ kamer erg schoon is.

2: Van (wij) ___________ ouders moet ik (ik)________ kamer schoonmaken. En voor straf ook (zij, meervoud) _________kamer.

3: (jij) __________schrift lag in (zij, meervoud) _________ kamer en (wij) _______boek lag daar ook.

4: Op het schrift stonden de woorden ‘(U) _______ huis is niet te koop’.

5: Ik wil (jij)________ schift houden, want jij hebt nog steeds (ik)________ nieuwe spelcomputer.

6: Ik heb nu de spelcomputer van (jij) __________ zusje geleend, maar ze wil (jij) ________ spelcomputer graag terug.

7: Ik wil dus snel (ik) ________ computer terug.

8: Een jongen uit (ik) _______ klas heeft ook een leuk spel, maar het is eigenlijk van (hij) ________ vader.

9: Die vader is gek op games en alle spellen in (zij, meervoud) ________ huis zijn dan ook van hem.

10: Maar ik ga nu eindelijk die kamer poetsen met (u) ________schoonmaakspullen.

Veel dank aan jufmelis.nl voor de oefening!