praten in hele zinnen -3

(c) lezenmetkids.wordpress.comVoor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een aantal vragen mèt het begin van de antwoorden. Je kunt de zinnen dan alleen oefenen! Het is een goede oefening voor het praten op je examen. Je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

Een beetje GRAMMATICA:
Een normale zin begint in het Nederlands altijd met het onderwerp (bijvoorbeeld: ik, de school, de tandarts….). Daarna komt de persoonsvorm van het werkwoord. (bijvoorbeeld eet,  houd, kook, kijk ……).
Bijvoorbeeld: Ik eet vaak pasta.
In een vraagzin draaien wij dit om. Dat heet inversie of omdraaiing.
Bij een inversie of omdraaiing zie je dus eerst de persoonsvorm van het werkwoord en daarna pas het onderwerp.
Bijvoorbeeld: Eet u vaak pasta?
Soms begint de vraagzin hieronder met de persoonsvorm van het werkwoord. Je maakt dan een antwoord met “ja” of “nee” en daarachter een normale zin (voorbeeld A).
Soms begint de vraagzin met een vraagwoord. Een vraagwoord is bijvoorbeeld welk, wat, hoe, wanneer, waarom. Je maakt dan direct een antwoord met een normale zin (voorbeeld B).

A) voorbeelden:
Eet u vaak pasta?
Ja, ik eet vaak pasta.
Nee, ik eet nooit pasta.
B)
Welk gerecht eet u vaak?
Ik eet vaak pasta.

Hier zijn de vragen:

1)
Wat voor
groente eet u vaak? (wat voor = welk/e)
Ik eet
vaak ……..
2)
Hoe vaak eet u deze groente?
Ik eet deze groente………
3)
Houdt u van koken?
Ja, ik houd ……..
Nee, ik houd niet……
4)
Wat kookt u dan het liefst?
Ik kook ………
5)
Naar welke TV-zender kijkt u vaak?
Ik kijk
vaak ………….. (zender= BBC / NPO 1 / Al Jazeera / RTL4, ………)
6)
Welk programma op deze zender vindt u leuk of interessant?
Ik vind …………… (programma= het nieuws, de detectivefilm, het jeugdjournaal, VT-wonen) leuk.
7)
Gaat u naar school?
Ja, ik ga……..
Nee, ik ga…….
8)
Welke dagen gaat u naar school?
Ik ga
op…….
9)
Hoe laat begint de school?
De school begint om ………
10)
En hoe laat is de school afgelopen?
De school is ……………………………… afgelopen.
11)
Bent u ook druk in de week?
Ja, ik ben………………
Nee, ik ben niet ………………
12)
Wat doet u dan allemaal?
Ik ga ………………………..
Ik haal .………………………..
Ik moet naar ……………………
13)
Heeft u veel huiswerk van school?
Ja, ik heb ……………………..
Nee, ik heb niet ………………….
14)
Welk huiswerk vindt u het moeilijkst?
Ik vind ……………………………………………… het moeilijkst.
15)
Wilt u een afspraak maken?
Ja, ik wil ……………………………………. maken.
16)
Wanneer wilt u dan een afspraak hebben?
Ik wil
………………………………..
17)
Hoe vaak gaat u naar de tandarts?
Ik ga ……………………………………. naar de tandarts.
18)
En wat doet de tandarts dan?
De tandarts kijkt ………………………………
De tandarts boort ………………………………
De tandarts vult …………………………………
19)
Gaat u wel eens naar de dokter?
Ja, ik ga ………………………………….. dokter.
Nee, ik ga nooit ………………………………… dokter.
20)
Waarom gaat u dan naar de dokter?
Ik ga naar de dokter, omdat …………………………

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens herhalen. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken.
We kunnen de zinnen in de les samen oefenen, als je dat wilt.

Advertenties

dag, maand, jaar

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd. Dit keer gaat het over dagen, maanden en jaren.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt. Kijk goed naar de plaats van een woord in de zin.

1. Hoeveel maanden heeft één jaar?
Één jaar heeft 12 maanden.

2. En hoeveel weken heeft één jaar?
Één jaar heeft 52 weken.

3. Hoeveel dagen heeft een jaar?
Een jaar heeft 365 dagen.

4. Hoeveel dagen heeft een week?
Een week heeft 7 dagen.

5. Hoeveel dagen heeft een maand?
Een maand heeft 28 of 30 of 31 dagen.

6. Welke maand heeft 28 dagen?
Februari heeft 28 dagen.

7 Hoeveel uren gaan er in een dag?
Er gaan 12 uren in een dag.

8. En hoeveel uren gaan er in een nacht?
Er gaan ook 12 uren in een nacht.

9. En hoeveel uren gaan er in een etmaal?
In een etmaal gaan 24 uren.

10. Hoeveel minuten heeft een uur?
Een uur heeft 60 minuten.

11. Welke maand is de eerste maand in het jaar?
Januari is de eerste maand in het jaar.
De eerste maand in het jaar is januari.

12. In welke maanden is het winter?
In de maanden december, januari en februari is het winter.
Het is winter in de maanden december, januari en februari.

13. Is de winter in Nederland koud?
Ja, de winter in Nederland is koud.

14. Is de winter in Eritrea koud?
Nee, de winter in Eritrea is warm!

15. In welke maand begint de lente?
De lente begint in de maand maart.

16. En in welke maanden is het lente in Nederland?
In Nederland is het lente in de maanden maart, april en mei.

17. Is de lente warm in Afrika?
Ja, de lente in Afrika is heel warm.

18. Wanneer begint de zomer in Nederland?
In Nederland begint de zomer in de maand juni.

19. In welke maanden is het zomer in Nederland?
In Nederland is het zomer in de maanden juni, juli en augustus.

20. Is de zomer in Nederland warm?
Ja, de zomer in Nederland is erg warm.

21. Wanneer begint de herfst in Nederland?
In Nederland begint de herfst in september.

22. In welke maanden is het herfst?
Het is herfst in de maanden september, oktober en november.

23. Regent het vaak in de herfst?
Ja, in de herfst regent het heel vaak.

24. Staat er veel wind op een herfstdag?
Ja, er staat veel wind op een dag in de herfst. (een herfstdag = een dag in de herfst).

25. In welke maanden gaan de mensen in Nederland op vakantie?
In Nederland gaan de mensen op vakantie in de maanden juli en augustus.

praten over tijd

"de tijd vliegt" (c)inleerinbeelden.nl

(c) ikleerinbeelden.nl

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt.

1. Hoe laat is het?
Het is 9 uur / 12 uur / 3 uur na de middag / 8 uur ’s avonds / 12 uur ’s nachts.

2. Hoe laat begint de ochtend?
De ochtend begint om 6 uur. (=06.00 uur)

3. Hoe laat begint de middag?
De middag begint om 12 uur.

4. Hoe laat begint de avond?
De avond begint om ongeveer 6 uur. (=18.00 uur)

5. Hoe laat begint de nacht?
De nacht begint om 12 uur (=24.00 uur)

6. Kijk jij TV?
Ja, ik kijk soms TV.

7. Hoe laat kijk jij TV?
Ik kijk soms om 4 uur ’s middags TV (=16.00 uur)
Ik kijk soms om 8 uur ’s avonds TV (=20.00 uur)

8. Hoe laat is het nieuws in Nederland op TV?
Het nieuws is om 6 uur of 8 uur ’s avonds op TV (=18.00 uur en 20.00 uur).

9. Kijk jij ook ’s avonds naar het nieuws?
Ja, ik kijk elke avond naar het nieuws.

10. Hoe laat ga jij naar bed?
Ik ga om ongeveer 11 uur naar bed (=23.00 uur).

11. En hoe laat ga jij in het weekend naar bed?
In het weekend ga ik later naar bed.
In het weekend ga ik
pas om 12 uur naar bed. (=24.00 uur)

12. Slaapt iedereen ’s nachts?
Nee, niet iedereen slaapt ’s nachts.
Ja, bijna iedereen slaapt ’s nachts.

13. Wie slapen niet ’s nachts?
Mensen die ’s nachts werken, slapen niet.

14. Werk jij ’s nachts?
Nee, ik werk overdag.

15. Hoe laat is het ’s avonds donker in de zomer?
In de zomer is het ’s avonds om ongeveer 10 uur donker. (=22.00 uur)

16. Hoe laat is het ’s avonds donker in de winter?
In de winter is het ’s avonds om ongeveer 5 uur donker (=17.00 uur).

17. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de zomer?
In de zomer wordt het ’s ochtends om 5 uur licht.

18. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de winter?
In de winter wordt het ’s ochtends om half 9 licht. (=08.30 uur)

19. Kijk jij ’s ochtends TV?
Nee, ’s ochtends kijk ik geen TV.
Nee, ’s ochtends werk ik.

 

praten in hele zinnen -2

(c) lezenmetkids.wordpress.comVoor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een aantal vragen. Het zijn vragen waarop je in hele zinnen moet antwoorden. Het is een goede oefening voor het praten op je examen.

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– let goed op de vetgedrukte woorden;
– soms begint de zin met een werkwoord, je kunt dan antwoorden met ja of nee;
– soms begint de zin met een vraagwoord, je moet dan zelf woorden bedenken;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– als je de vragen begrijpt, probeer ze dan te beantwoorden;
– je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

0) voorbeelden:
Eet u vaak pasta?
Ja, ik eet vaak pasta.
Nee, ik eet nooit pasta.

Welk gerecht eet je vaak?
Ik eet vaak pasta.

1)
Welk fruit eet u vaak?
2)
Houdt u van de sneeuw in de winter in Nederland?
3)
Kijkt u vaak naar de Nederlandse TV?
4)
Welk programma op de Nederlandse TV vindt u leuk?
5)
Welk programma op de Nederlandse TV vindt u interessant?
6)
Gebruikt u de computer veel?
7)
Wat voor eten vindt u het lekkerst?
8)
Wat doet u in het weekend, als u vrij bent?
9)
Waar koopt u uw boodschappen?
10)
Wanneer leert u uw huiswerk meestal?
11)
Kookt u vaak eten?
12)
Wat voor eten kookt u dan?
13)
Heeft u ook hobby’s?
14)
Welke hobby’s heeft u?
15)
Hoe gaat u naar het centrum van de stad?
16)
Gaat u het liefst op de fiets of met de tram?
17)
Wat vindt u niet leuk in Nederland?
18)
Welke dingen vindt u niet leuk in uw eigen land?
19)
Gaat u vaak op de fiets in Nederland?
20)
Kunt u auto rijden?

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens opnieuw beantwoorden. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken. We kunnen de zinnen in de les een keer samen doen.

Hier kan je nog meer leren praten in hele zinnen.

werkwoorden in beeld

Voor mijn leerlingen!

Hier zien jullie telkens 3 tekeningen (=plaatjes, “foto’s”) naast elkaar op één rij. Er zijn 6 rijen hier op de plaat. Probeer van elke tekening zoveel mogelijk te vertellen. Hieronder staan zinnen die je zou kunnen zeggen. Het is goed deze zinnen vaak te oefenen. Je leert zo goed vertellen wat je doet. Je leert werkwoorden gebruiken.
Probeer over een tijdje ook nog eens iets te vertellen in de verledentijd (=vroeger, gisteren). Of probeer het voltooid deelwoord (het “ge-woord”) te gebruiken, bijvoorbeeld: de jongen heeft zijn tanden gepoetst.
Je kunt ook doen alsof jijzelf op het plaatje staat, bijvoorbeeld: Ik poets mijn tanden. Ik heb mijn tanden gepoetst.

werkwoordeninbeeld

1e rij, van links naar rechts:
1)
De jongen / hij poetst zijn tanden.
De jongen draagt een blauw t-shirt.
Er ligt tandpasta voor hem.
De jongen heeft een beker. De jongen houdt een beker vast.
2)
Het jongetje zit op de rekstok.
Het jongetje speelt op de rekstok.
De jongen draagt blauwe schoenen.
De jongen heeft een wit t-shirt aan.
3)
De man / de jongen kleedt zich aan.
De man doet een truin aan.
De trui van de man is geel.
De man heeft ook een spijkerbroek.
De man heeft de spijkerbroek (nog) niet aan.
De man draagt een onderbroek.

2e rij van links naar rechts:
1)
De jongen gaat naar school
De jongen draagt een rugtas.
De jongen draagt een gele trui en een licht bruine broek.
De broek is een korte broek.
De jongen heeft donker haar en bruine schoenen.
De jongen draagt bruine schoenen.
2)
De man ligt in bed.
De man slaapt.
Het bed is blauw.
Wat ligt er naast het bed?
Ligt er een knuffelbeer in bed?
3)
Twee jongens koken eten.
De jongen links kookt in een pan.
De jongen rechts heeft iets op een bord.
Welke kleuren t-shirts dragen de jongens?

3e rij van links naar rechts:
1)
Drie kinderen spelen. Drie kinderen kaarten.
Zij spelen met een kaartspel.
Eén jongen is boos.
Wat voor kleren dragen de jongens?
2)
Twee jongens spelen voetbal.
Eén jongen ligt op de grond.
De jongens dragen sportkleding.
Welke kleuren heeft de kleding?
3)
Het meisje speelt blokfluit.
Het meisje maakt muziek.
Het meisje heeft twee vlechten in het haar.
Wat voor kleur haar heeft het meisje?
Wat kan je vertellen over de kleding van het meisje?

4e rij van links naar rechts:
1)
De jongen rent.
De jongen loopt hard.
De jongen heeft kort, zwart haar.
De jongen heeft een roze korte broek en een wit t-shirt aan.
Wat draagt de jongen aan zijn benen en voeten?
2)
Het kind zit aan de tafel.
Het kind schrijft.
Slaapt het kind?
Welke kleding draagt het kind?
Wat voor haren heeft het kind?
Is het kind een jongen of een meisje?
3)
Er ligt iemand in bad.
Kan je ook zien wie er in bad ligt?
Wat hangt er boven het bad?

5e rij van links naar rechts:
1)
Er staat iemand onder de douche.
Staat er een man of een vrouw onder de douche?
Wat doet de man of vrouw onder de douche?
2)
De jongen zet twee zakken op straat.
Welke kleuren hebben de zakken?
Wat draagt de jongen?
Wat zit er in de zakken, denk je?
3)
De jongen is aan het bellen.
De jongen telefoneert.
Wat heeft de jongen in de hand?
Hoe ziet de jongen er uit?

6e rij van links naar rechts:
1)
De jongen loopt met de hond.
De jongen laat de hond uit.
Wat moet de hond doen, denk je?
Wat heeft de jongen nog meer in zijn hand?
2)
De mevrouw wast haar haren.
De mevrouw wast haar haren boven de wasbak.
Wat gebruikt de mevrouw bij het wassen?
3)
De jongen wast zijn handen boven de gootsteen.
Misschien doet de jongen de afwas?
Wat hangt er boven de gootsteen aan de muur?
Waar in huis is de gootsteen?

maak een vraagzin!

Hieronder staan 20 “gewone” Nederlandse zinnen. Ze beginnen met het onderwerp (hij, zij, jij, ik, moeder, de kinderen, de vrouw enz. ……) en daarna komt de persoonsvorm (het enige vervoegde werkwoord dat bij het onderwerp hoort), tot slot komt de rest van de zin.

Opdracht:
Maak van de zinnen hieronder telkens een vraagzin. Dat is een zin met een vraagteken (=?) op het eind.
Als je de zinnen een keer wilt oefenen in de les, vraag me er dan naar.

Veel succes!

1. Moeder koopt veel boodschappen.
2. De kinderen eten elke dag pasta!
3. Badria heeft een feest met Sinterklaas.
4. De zussen gaan mee naar het dorp.
5. Hassan moet elke dag werken.
6. Sadia gaat naar het ziekenhuis.
7. Emma fietst elke dag naar school.
8. Ronald gaat elke dag met de tram.
9. Britta maakt een mooie tekening.
10. Pascal schrijft veel nieuwe woorden.
11. Erna leert elke avond Nederlands.
12. De kinderen gaan wandelen.
13. De mannen werken hard.
14. Moeder kookt elke dag soep.
15. Ahmed heeft een konijn.
16. Henk gaat op de fiets naar het werk.
17. De meisjes gaan samen koffie drinken.
19. Esther gaat met de trein naar Utrecht.
20. Nadia haalt boeken bij de bibliotheek.

oefenen met 4 werkwoorden -5

Voor mijn leerlingen!

We gaan oefenen met de werkwoorden:

(zich) wassen
ik was (mij)
jij wast (je)
was jij (je)?
hij/zij wast (zich)
wij wassen (ons)
jullie wassen (je)
zij (mv) wassen (zich)
ik heb (mij) gewassen
verledentijd:
ik waste/wij wasten
bakken
ik bak
jij bakt
bak jij?
hij/zij bakt
wij bakken
jullie bakken
zij (mv) bakken
ik heb gebakken
verledentijd:
ik bakte/wij bakten
snijden
ik snijd
jij snijdt
Snijdt jij?
hij/zij snijdt
wij snijden
jullie snijden
zij (mv) snijden
ik heb gesneden
verledentijd:
ik  sneed/wij sneden
schijnen
ik schijn
jij schijnt
schijn jij?
hij/zij schijnt
wij schijnen
jullie schijnen
zij (mv) schijnen
de maan heeft geschenen
verledentijd:
ik scheen/wij schenen

– vanaf nu leren we ook de verledentijd en het voltooid deelwoord erbij!;
– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken!
– Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in;
– lees de oefening daarna een paar keer rustig (!!) door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul de juiste vorm in van het werkwoord (ZICH) WASSEN:

Ik _______ mijn haren.
De hulp _________ de lakens.
De man _________   ____________ voor het gebed.
Wij ____________   ____________ allemaal in de badkamer.
Ik ________ ______ vanochtend heel goed ge_________.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord BAKKEN:
De bakker _________ het brood.
Wij ___________ zelf ons brood.
Mijn zusje _____________ graag taart.
Vader _____________ een eitje.
Duitsers ______________ heel veel.
Ik _________ een cake ge__________.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord SNIJDEN:
De slager __________ het vlees.
Moeder _____________ het brood.
Wij __________ de pizza in zes stukken.
Ik _________ de groente ge____________.
Zi j__________  een stuk van de bloemenstengel.
De man ___________ het tapijt op maat.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord SCHIJNEN:
De zon ______________ veel in de zomer.
De maan ______________ alleen ’s nachts.
De lampen _____________ boven de straat.
Gisteren __________ de zon ge____________.
Ik ____________ met mijn lamp in het donker.

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

voor en na….

Voor mijn leerlingen!

We gaan vandaag eerst goed kijken naar de foto en daarna erover praten!

Links zie je een foto van de kamer zoals deze vroeger was (vóór de verandering).
Rechts zie je een foto van de kamer zoals deze er nu uitziet ( de verandering).

Opdracht:
Probeer te vertellen welke verschillen je ziet.
Onder de foto’s vind je woorden, zinnen en vragen om je te helpen.
Probeer de nieuwe woorden te gebruiken en te onthouden.

(c)habitat.hanalei.com
Zinnen met:
Links zie ik…..
Rechts zie ik……
In het midden zie ik……
Links boven….
Rechts boven….
Links onder….
Rechts onder….
De wand heeft de kleur…..
De wand is……
De muren zijn………….
Op de vloer………
Links is er ……. en rechts is er …….
Eerst is de bank ……. en daarna is de bank………
Voor de verandering …….. en na de verandering …….

Woorden om te gebruiken:
de openhaard
tegels
de openhaardset
de hocker
de staande lamp
openhaardhout
het Marokkaanse tafeltje
het schilderij
het kunstwerk
de fauteuil

Vragen:
Wat ligt er op de hocker?
Waar staat de lamp?
Wat staat er bij de openhaard?
Wat zie je op de vloer?
Welke kleuren hebben de meubels?
Welke veranderingen zie je?
Welke verschillen zie je?

praten in hele zinnen

(c) lezenmetkids.wordpress.comHieronder zie je een aantal vragen. Het zijn vragen waarop je in hele zinnen moet antwoorden.
Om je een beetje te helpen, heb ik een begin met de zin gemaakt.

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– als je de vragen begrijpt, probeer ze dan te beantwoorden;
– je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

1) Ga jij op vakantie?
Ja, ik ga………………………………………………..
2) Waar ga jij dan naar toe?
Ik ga naar …………………………………………….
3) Wat is jouw moedertaal?
Mijn moedertaal …………………………………..
4) Spreek jij ook nog een andere taal?
Ja, ik ………………. ook …………………………….
5) Heb jij een grote familie?
Ja, ik ……………………………………………………..
6) Hoeveel broers en zussen heb jij dan?
Ik heb………………………….. broers en ik ………………………………………
7) Hoelaat begint jouw dag ’s morgens?
Mijn dag ……………………………………………………
8) En wat doe jij dan het eerst ’s morgens?
Eerst ga ik …………………………………………………
9) Waar woon jij?
Ik ……………………………………………………………..
10) En in wat voor een huis woon jij?
Ik …………………………………………………………….
11) Houd jij van fietsen?
Ja, ik ………………………………………………………..
12) Waarom houd jij van fietsen?
Omdat fietsen ………………………………………….
13) Kijk je veel televisie?
Ja, ik ………………………………………………………..
Nee, ik ……………………………………………………..
14) En wanneer kijk jij dan televisie?
Ik …………………… om ……………. uur en om ………………………. uur.
15) Krijgt je wel eens vrienden op bezoek?
Ja, ik ………………………………………………………
16) En wat doe je dan samen met je vrienden?
Wij …………………………………………….. samen.
17) Vind je de winter een fijn seizoen?
Nee, ik …………………………………………………..
18) Welk seizoen vind jij een fijn seizoen?
Ik vind ………………………………………………….

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens opnieuw beantwoorden. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken. We kunnen de zinnen in de les een keer samen doen.

oefenen met 4 werkwoorden -4

Voor mijn leerlingen!

We gaan oefenen met de werkwoorden:

kijken
ik kijk
jij kijkt
kijk jij?
hij/zij kijkt
wij kijken
jullie kijken
zij (mv) kijken
dragen
ik draag
jij draagt
draag jij?
hij/zij draagt
wij dragen
jullie dragen
zij (mv) dragen
koken
ik kook
jij kookt
kook jij?
hij/zij kookt
wij koken
jullie koken
zij (mv) koken
afwassen
ik was af
jij wast af
was jij af?
hij/zij wast af
wij wassen af
jullie wassen af
zij (mv) wassen af

– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken!
– Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in, dus bijvoorbeeld: ik kijk, wij dragen, het meisje kookt, de vrouwen wassen af;
– lees de oefening daarna een paar keer rustig (!!) door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul de juiste vorm in van het werkwoord KIJKEN:
Hoe laat _______________ jij altijd TV??
Ik _____________ ’s avonds om 20.00 uur TV.
Waarom _______________ jullie zo veel TV?
Wij __________ veel TV omdat wij veel tijd hebben.
Welke programma’s op TV ______ Nadia graag?
Nadia ___________ graag naar detectives op TV.
Waarom _________ jouw zus zo boos?
Mijn zus __________ boos omdat zij kwaad is.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord DRAGEN:
Waarom ___________ jij een muts vandaag?
Ik ____________ een muts omdat het koud is.
_____________ jullie altijd sokken?
Nee, wij ___________ alleen sokken inde winter.
____________ jouw zusje al lang een hoofddoek?
Ja, mijn zusje ___________ al jaren een hoofddoek!.
Waarom ____________ zij die zware tas?
Zij __________ die zware tas omdat haar man moeilijk loopt.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord KOKEN:
___________ jij altijd voor de familie?
Nee, ik ____________ alleen voor de familie als moeder weg is.
Waarom _________ jullie zo vaak pasta?
Wij ____________ vaak pasta omdat het lekker is!
Wanneer _________ moeder deze week?
Moeder __________ deze week op de vrijdag.
Wat voor eten ________ jij het liefst?.
Ik _________ het liefst rijst met kip.
Waneer ________ wij weer eens samen?
Wij _________ weer samen als het feest is.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord AFWASSEN:
________ jij altijd af na het eten?
Nee, soms ________ ik niet af omdat ik geen zin heb.
__________ jullie de kopjes even af?
Nee, wij ________ nu geen kopjes af!
Waarom ________ moeder de afwas niet af?
Moeder ________ de afwas niet af omdat zij eerst wil rusten.
________ jouw zus graag een grote afwas af?
Neen, mijn zus ________ helemaal niet graag af!
Wie _______ er bij jullie thuis altijd af?
Mijn man ________ altijd af bij ons thuis.

Als dit heel gemakkelijk gaat, maak dan nog eens twee zinnen met elk van de werkwoorden. Geef de zinnen aan mij en ik kijk ze voor je na!

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.