dag, maand, jaar

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd. Dit keer gaat het over dagen, maanden en jaren.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt. Kijk goed naar de plaats van een woord in de zin.

1. Hoeveel maanden heeft één jaar?
Één jaar heeft 12 maanden.

2. En hoeveel weken heeft één jaar?
Één jaar heeft 52 weken.

3. Hoeveel dagen heeft een jaar?
Een jaar heeft 365 dagen.

4. Hoeveel dagen heeft een week?
Een week heeft 7 dagen.

5. Hoeveel dagen heeft een maand?
Een maand heeft 28 of 30 of 31 dagen.

6. Welke maand heeft 28 dagen?
Februari heeft 28 dagen.

7 Hoeveel uren gaan er in een dag?
Er gaan 12 uren in een dag.

8. En hoeveel uren gaan er in een nacht?
Er gaan ook 12 uren in een nacht.

9. En hoeveel uren gaan er in een etmaal?
In een etmaal gaan 24 uren.

10. Hoeveel minuten heeft een uur?
Een uur heeft 60 minuten.

11. Welke maand is de eerste maand in het jaar?
Januari is de eerste maand in het jaar.
De eerste maand in het jaar is januari.

12. In welke maanden is het winter?
In de maanden december, januari en februari is het winter.
Het is winter in de maanden december, januari en februari.

13. Is de winter in Nederland koud?
Ja, de winter in Nederland is koud.

14. Is de winter in Eritrea koud?
Nee, de winter in Eritrea is warm!

15. In welke maand begint de lente?
De lente begint in de maand maart.

16. En in welke maanden is het lente in Nederland?
In Nederland is het lente in de maanden maart, april en mei.

17. Is de lente warm in Afrika?
Ja, de lente in Afrika is heel warm.

18. Wanneer begint de zomer in Nederland?
In Nederland begint de zomer in de maand juni.

19. In welke maanden is het zomer in Nederland?
In Nederland is het zomer in de maanden juni, juli en augustus.

20. Is de zomer in Nederland warm?
Ja, de zomer in Nederland is erg warm.

21. Wanneer begint de herfst in Nederland?
In Nederland begint de herfst in september.

22. In welke maanden is het herfst?
Het is herfst in de maanden september, oktober en november.

23. Regent het vaak in de herfst?
Ja, in de herfst regent het heel vaak.

24. Staat er veel wind op een herfstdag?
Ja, er staat veel wind op een dag in de herfst. (een herfstdag = een dag in de herfst).

25. In welke maanden gaan de mensen in Nederland op vakantie?
In Nederland gaan de mensen op vakantie in de maanden juli en augustus.

Advertenties

praten over tijd

"de tijd vliegt" (c)inleerinbeelden.nl

(c) ikleerinbeelden.nl

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt.

1. Hoe laat is het?
Het is 9 uur / 12 uur / 3 uur na de middag / 8 uur ’s avonds / 12 uur ’s nachts.

2. Hoe laat begint de ochtend?
De ochtend begint om 6 uur. (=06.00 uur)

3. Hoe laat begint de middag?
De middag begint om 12 uur.

4. Hoe laat begint de avond?
De avond begint om ongeveer 6 uur. (=18.00 uur)

5. Hoe laat begint de nacht?
De nacht begint om 12 uur (=24.00 uur)

6. Kijk jij TV?
Ja, ik kijk soms TV.

7. Hoe laat kijk jij TV?
Ik kijk soms om 4 uur ’s middags TV (=16.00 uur)
Ik kijk soms om 8 uur ’s avonds TV (=20.00 uur)

8. Hoe laat is het nieuws in Nederland op TV?
Het nieuws is om 6 uur of 8 uur ’s avonds op TV (=18.00 uur en 20.00 uur).

9. Kijk jij ook ’s avonds naar het nieuws?
Ja, ik kijk elke avond naar het nieuws.

10. Hoe laat ga jij naar bed?
Ik ga om ongeveer 11 uur naar bed (=23.00 uur).

11. En hoe laat ga jij in het weekend naar bed?
In het weekend ga ik later naar bed.
In het weekend ga ik
pas om 12 uur naar bed. (=24.00 uur)

12. Slaapt iedereen ’s nachts?
Nee, niet iedereen slaapt ’s nachts.
Ja, bijna iedereen slaapt ’s nachts.

13. Wie slapen niet ’s nachts?
Mensen die ’s nachts werken, slapen niet.

14. Werk jij ’s nachts?
Nee, ik werk overdag.

15. Hoe laat is het ’s avonds donker in de zomer?
In de zomer is het ’s avonds om ongeveer 10 uur donker. (=22.00 uur)

16. Hoe laat is het ’s avonds donker in de winter?
In de winter is het ’s avonds om ongeveer 5 uur donker (=17.00 uur).

17. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de zomer?
In de zomer wordt het ’s ochtends om 5 uur licht.

18. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de winter?
In de winter wordt het ’s ochtends om half 9 licht. (=08.30 uur)

19. Kijk jij ’s ochtends TV?
Nee, ’s ochtends kijk ik geen TV.
Nee, ’s ochtends werk ik.

 

praten in hele zinnen -2

(c) lezenmetkids.wordpress.comVoor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een aantal vragen. Het zijn vragen waarop je in hele zinnen moet antwoorden. Het is een goede oefening voor het praten op je examen.

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– let goed op de vetgedrukte woorden;
– soms begint de zin met een werkwoord, je kunt dan antwoorden met ja of nee;
– soms begint de zin met een vraagwoord, je moet dan zelf woorden bedenken;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– als je de vragen begrijpt, probeer ze dan te beantwoorden;
– je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

0) voorbeelden:
Eet u vaak pasta?
Ja, ik eet vaak pasta.
Nee, ik eet nooit pasta.

Welk gerecht eet je vaak?
Ik eet vaak pasta.

1)
Welk fruit eet u vaak?
2)
Houdt u van de sneeuw in de winter in Nederland?
3)
Kijkt u vaak naar de Nederlandse TV?
4)
Welk programma op de Nederlandse TV vindt u leuk?
5)
Welk programma op de Nederlandse TV vindt u interessant?
6)
Gebruikt u de computer veel?
7)
Wat voor eten vindt u het lekkerst?
8)
Wat doet u in het weekend, als u vrij bent?
9)
Waar koopt u uw boodschappen?
10)
Wanneer leert u uw huiswerk meestal?
11)
Kookt u vaak eten?
12)
Wat voor eten kookt u dan?
13)
Heeft u ook hobby’s?
14)
Welke hobby’s heeft u?
15)
Hoe gaat u naar het centrum van de stad?
16)
Gaat u het liefst op de fiets of met de tram?
17)
Wat vindt u niet leuk in Nederland?
18)
Welke dingen vindt u niet leuk in uw eigen land?
19)
Gaat u vaak op de fiets in Nederland?
20)
Kunt u auto rijden?

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens opnieuw beantwoorden. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken. We kunnen de zinnen in de les een keer samen doen.

Hier kan je nog meer leren praten in hele zinnen.

over en uit

Voor mijn leerlingen!

extra Kennis Nederlandse Maatschappij

Je hebt hierover misschien niets geleerd bij de inburgering maar elke Nederlander heeft er wel eens van gehoord! Daarom moet jij het ook weten, want dan kun je over steeds meer Nederlandse dingen praten met de Nederlanders. Zo word je telkens een beetje meer Nederlander :) !! Zoek de nieuwe woorden op of vraag ze aan mij! Veel leesplezier!
een lege V&D (c) uilentaal

(c)uilentaal

De foto die je hiernaast ziet is een heel trieste foto. Het is een foto van een totaal lege winkel van de V&D. Het is ook een heel vreemde foto want je ziet niet vaak een helemaal lege winkel waar toch het licht brandt.
Waarom is deze winkel leeg? Omdat V&D failliet is!

Wat was de V&D? Dat was de naam van een heel bekend warenhuis in Nederland. De letters V en D komen van Vroom en Dreesmann. Vroom en Dreesman, zo heetten de twee mannen die V&D stichtten.  In alle grote steden in ons land was er wel een V&D. Je kon er kleding, sjaals, tassen, panty’s, sierraden, kantoorspullen, boeken, make-up en nog heel veel meer kopen. Bij de V&D was heel vaak ook een restaurant met de naam “La Place”. Dat was het zelfbedieningsrestaurant van V&D waar je voor een leuke prijs verse dingen kon eten of even gezellig koffiedronk.
Heel veel winkels van de V&D waren gevestigd in heel mooie, markante gebouwen in de verschillende binnensteden.

Iedere Nederlander kende de V&D en ook weet iedere Nederlander dat de V&D er nu niet meer is.

Vandaag sloot de laatste V&D-winkel in Hilversum…….

Opdracht:
1) Leer de nieuwe, moeilijke woorden in makkelijk Nederlands (hieronder);
2) Zoek de werkwoorden, die in de verledentijd staan, op in de tekst;
3) Lees de tekst een keer rustig en hardop voor.

over en uit – iets is afgelopen, stopt, ten einde (het heeft vaak een negatieve lading);
triest
– verdrietig, niet blij;
failliet – het geld van een bedrijf is op, het bedrijf kan niemand meer betalen en moet stoppen;
warenhuis – een heel grote winkel met heel veel verschillende producten;
stichten, stichtte/n, gesticht – iets oprichten, beginnen;
zelfbedieningsrestaurant – een restaurant waar je zelf de dingen moet pakken, die je wilt eten. Deze dingen betaal je dan eerst bij de kassa, daarna eet je ze in het restaurant op;
markant – opvallend, bijzonder;
binnenstad, binnensteden – het centrum van een stad.

eieren en een nestkuiken ;) ofwel….. عيد الفصح في هولندا

Bij Uilentaal is ♥ ☼ ♥ ☺ Pasen ☺♥ ☼ ♥ inmiddels in huis!

Op 27 en 28 maart as. is het natuurlijk pas echt zover, maar een beetje voorpret is nooit verkeerd.
Dit jaar heb ik voor het eerst witte kronkelwilgentakken in mijn vensterbank. Let op het grote witte ei, dat tussen de takken hangt. Het is een echt ganzenei! En de emotionele waarde is hoog! Het ei is nl. afkomstig van de ganzen van mijn vader en mijn moeder heeft het ei destijds nog uitgeblazen.

Wil je meer weten over Pasen en wat wij gekke Nederlanders dan allemaal doen, kijk dan hier.

Ik wens een ieder alvast heel fijne Paasdagen!

werkwoorden in beeld

Voor mijn leerlingen!

Hier zien jullie telkens 3 tekeningen (=plaatjes, “foto’s”) naast elkaar op één rij. Er zijn 6 rijen hier op de plaat. Probeer van elke tekening zoveel mogelijk te vertellen. Hieronder staan zinnen die je zou kunnen zeggen. Het is goed deze zinnen vaak te oefenen. Je leert zo goed vertellen wat je doet. Je leert werkwoorden gebruiken.
Probeer over een tijdje ook nog eens iets te vertellen in de verledentijd (=vroeger, gisteren). Of probeer het voltooid deelwoord (het “ge-woord”) te gebruiken, bijvoorbeeld: de jongen heeft zijn tanden gepoetst.
Je kunt ook doen alsof jijzelf op het plaatje staat, bijvoorbeeld: Ik poets mijn tanden. Ik heb mijn tanden gepoetst.

werkwoordeninbeeld

1e rij, van links naar rechts:
1)
De jongen / hij poetst zijn tanden.
De jongen draagt een blauw t-shirt.
Er ligt tandpasta voor hem.
De jongen heeft een beker. De jongen houdt een beker vast.
2)
Het jongetje zit op de rekstok.
Het jongetje speelt op de rekstok.
De jongen draagt blauwe schoenen.
De jongen heeft een wit t-shirt aan.
3)
De man / de jongen kleedt zich aan.
De man doet een truin aan.
De trui van de man is geel.
De man heeft ook een spijkerbroek.
De man heeft de spijkerbroek (nog) niet aan.
De man draagt een onderbroek.

2e rij van links naar rechts:
1)
De jongen gaat naar school
De jongen draagt een rugtas.
De jongen draagt een gele trui en een licht bruine broek.
De broek is een korte broek.
De jongen heeft donker haar en bruine schoenen.
De jongen draagt bruine schoenen.
2)
De man ligt in bed.
De man slaapt.
Het bed is blauw.
Wat ligt er naast het bed?
Ligt er een knuffelbeer in bed?
3)
Twee jongens koken eten.
De jongen links kookt in een pan.
De jongen rechts heeft iets op een bord.
Welke kleuren t-shirts dragen de jongens?

3e rij van links naar rechts:
1)
Drie kinderen spelen. Drie kinderen kaarten.
Zij spelen met een kaartspel.
Eén jongen is boos.
Wat voor kleren dragen de jongens?
2)
Twee jongens spelen voetbal.
Eén jongen ligt op de grond.
De jongens dragen sportkleding.
Welke kleuren heeft de kleding?
3)
Het meisje speelt blokfluit.
Het meisje maakt muziek.
Het meisje heeft twee vlechten in het haar.
Wat voor kleur haar heeft het meisje?
Wat kan je vertellen over de kleding van het meisje?

4e rij van links naar rechts:
1)
De jongen rent.
De jongen loopt hard.
De jongen heeft kort, zwart haar.
De jongen heeft een roze korte broek en een wit t-shirt aan.
Wat draagt de jongen aan zijn benen en voeten?
2)
Het kind zit aan de tafel.
Het kind schrijft.
Slaapt het kind?
Welke kleding draagt het kind?
Wat voor haren heeft het kind?
Is het kind een jongen of een meisje?
3)
Er ligt iemand in bad.
Kan je ook zien wie er in bad ligt?
Wat hangt er boven het bad?

5e rij van links naar rechts:
1)
Er staat iemand onder de douche.
Staat er een man of een vrouw onder de douche?
Wat doet de man of vrouw onder de douche?
2)
De jongen zet twee zakken op straat.
Welke kleuren hebben de zakken?
Wat draagt de jongen?
Wat zit er in de zakken, denk je?
3)
De jongen is aan het bellen.
De jongen telefoneert.
Wat heeft de jongen in de hand?
Hoe ziet de jongen er uit?

6e rij van links naar rechts:
1)
De jongen loopt met de hond.
De jongen laat de hond uit.
Wat moet de hond doen, denk je?
Wat heeft de jongen nog meer in zijn hand?
2)
De mevrouw wast haar haren.
De mevrouw wast haar haren boven de wasbak.
Wat gebruikt de mevrouw bij het wassen?
3)
De jongen wast zijn handen boven de gootsteen.
Misschien doet de jongen de afwas?
Wat hangt er boven de gootsteen aan de muur?
Waar in huis is de gootsteen?

Gelukkig Nieuwjaar – Happy New Year – سنة سعيدة

Gelukkig Nieuwjaar voor mijn leerlingen, én de rest van de wereld ;)!

Nederlanders hebben misschien een rare maar zeer smakelijke gewoonte met oud en nieuw! Ze eten nl. oliebollen! Iedereen heeft ze in huis voor oud en nieuw. Mensen bakken ze zelf en nog meer mensen halen ze bij een bakker of bij de zg. oliebollenkraam. Wij eten ze -al dan niet met poedersuiker- bij de koffie, de thee, de borrel, ja zelfs bij het nieuwjaarsontbijt! Aan het eind van nieuwjaarsdag, vandaag dus, kan een beetje Nederlander werkelijk geen bol meer zien!

Het oliebollen bakken met oud en nieuw is traditie en het bakken van een goede, smakelijke bol is voor de bakker dan ook een echte sport. Zo zeer, dat er al een paar decennia door het Algemeen Dagblad, een grote landelijke krant, een zg. oliebollentest wordt uitgevoerd. Overal in het land worden er bollen geproefd en getest op smaak, vorm, vulling etc. Dit jaar ziet de lijst van de oliebollentest er zo uit.
Eindig je als bakker hoog op deze lijst, dan ben je verzekerd van klandizie op oudejaarsdag. De klanten, soms vanuit het hele land, staan dan uren in de rij voor zo’n in de prijzen gevallen bol.

uilentaals oliebol - happy new year! (c)uilentaal

uilentaals oliebol – happy new year! (c)uilentaal

Hiernaast zie je mijn bollen. Wij proberen deze laatste bollen zo dadelijk bij de koffie naar binnen te spoelen ;) !! Inderdaad! Wij kunnen ook geen bol meer zien!

Willen jullie het oliebollen bakken volgend jaar ook eens zelf proberen als echte ingeburgerde nieuwe Nederlanders, dan geef ik je hier alvast een aantal recepten! Zoals je ziet, oliebollen zijn er in alle soorten en smaken.

maak een vraagzin!

Hieronder staan 20 “gewone” Nederlandse zinnen. Ze beginnen met het onderwerp (hij, zij, jij, ik, moeder, de kinderen, de vrouw enz. ……) en daarna komt de persoonsvorm (het enige vervoegde werkwoord dat bij het onderwerp hoort), tot slot komt de rest van de zin.

Opdracht:
Maak van de zinnen hieronder telkens een vraagzin. Dat is een zin met een vraagteken (=?) op het eind.
Als je de zinnen een keer wilt oefenen in de les, vraag me er dan naar.

Veel succes!

1. Moeder koopt veel boodschappen.
2. De kinderen eten elke dag pasta!
3. Badria heeft een feest met Sinterklaas.
4. De zussen gaan mee naar het dorp.
5. Hassan moet elke dag werken.
6. Sadia gaat naar het ziekenhuis.
7. Emma fietst elke dag naar school.
8. Ronald gaat elke dag met de tram.
9. Britta maakt een mooie tekening.
10. Pascal schrijft veel nieuwe woorden.
11. Erna leert elke avond Nederlands.
12. De kinderen gaan wandelen.
13. De mannen werken hard.
14. Moeder kookt elke dag soep.
15. Ahmed heeft een konijn.
16. Henk gaat op de fiets naar het werk.
17. De meisjes gaan samen koffie drinken.
19. Esther gaat met de trein naar Utrecht.
20. Nadia haalt boeken bij de bibliotheek.

oefenen met 4 werkwoorden -5

Voor mijn leerlingen!

We gaan oefenen met de werkwoorden:

(zich) wassen
ik was (mij)
jij wast (je)
was jij (je)?
hij/zij wast (zich)
wij wassen (ons)
jullie wassen (je)
zij (mv) wassen (zich)
ik heb (mij) gewassen
verledentijd:
ik waste/wij wasten
bakken
ik bak
jij bakt
bak jij?
hij/zij bakt
wij bakken
jullie bakken
zij (mv) bakken
ik heb gebakken
verledentijd:
ik bakte/wij bakten
snijden
ik snijd
jij snijdt
Snijdt jij?
hij/zij snijdt
wij snijden
jullie snijden
zij (mv) snijden
ik heb gesneden
verledentijd:
ik  sneed/wij sneden
schijnen
ik schijn
jij schijnt
schijn jij?
hij/zij schijnt
wij schijnen
jullie schijnen
zij (mv) schijnen
de maan heeft geschenen
verledentijd:
ik scheen/wij schenen

– vanaf nu leren we ook de verledentijd en het voltooid deelwoord erbij!;
– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken!
– Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in;
– lees de oefening daarna een paar keer rustig (!!) door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul de juiste vorm in van het werkwoord (ZICH) WASSEN:

Ik _______ mijn haren.
De hulp _________ de lakens.
De man _________   ____________ voor het gebed.
Wij ____________   ____________ allemaal in de badkamer.
Ik ________ ______ vanochtend heel goed ge_________.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord BAKKEN:
De bakker _________ het brood.
Wij ___________ zelf ons brood.
Mijn zusje _____________ graag taart.
Vader _____________ een eitje.
Duitsers ______________ heel veel.
Ik _________ een cake ge__________.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord SNIJDEN:
De slager __________ het vlees.
Moeder _____________ het brood.
Wij __________ de pizza in zes stukken.
Ik _________ de groente ge____________.
Zi j__________  een stuk van de bloemenstengel.
De man ___________ het tapijt op maat.

Vul de juiste vorm in van het werkwoord SCHIJNEN:
De zon ______________ veel in de zomer.
De maan ______________ alleen ’s nachts.
De lampen _____________ boven de straat.
Gisteren __________ de zon ge____________.
Ik ____________ met mijn lamp in het donker.

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

voor en na….

Voor mijn leerlingen!

We gaan vandaag eerst goed kijken naar de foto en daarna erover praten!

Links zie je een foto van de kamer zoals deze vroeger was (vóór de verandering).
Rechts zie je een foto van de kamer zoals deze er nu uitziet ( de verandering).

Opdracht:
Probeer te vertellen welke verschillen je ziet.
Onder de foto’s vind je woorden, zinnen en vragen om je te helpen.
Probeer de nieuwe woorden te gebruiken en te onthouden.

(c)habitat.hanalei.com
Zinnen met:
Links zie ik…..
Rechts zie ik……
In het midden zie ik……
Links boven….
Rechts boven….
Links onder….
Rechts onder….
De wand heeft de kleur…..
De wand is……
De muren zijn………….
Op de vloer………
Links is er ……. en rechts is er …….
Eerst is de bank ……. en daarna is de bank………
Voor de verandering …….. en na de verandering …….

Woorden om te gebruiken:
de openhaard
tegels
de openhaardset
de hocker
de staande lamp
openhaardhout
het Marokkaanse tafeltje
het schilderij
het kunstwerk
de fauteuil

Vragen:
Wat ligt er op de hocker?
Waar staat de lamp?
Wat staat er bij de openhaard?
Wat zie je op de vloer?
Welke kleuren hebben de meubels?
Welke veranderingen zie je?
Welke verschillen zie je?