iets vertellen over uzelf – ramadan mubarak/رمضان مبارك

Voor mijn leerlingen!

Zoals je weet, verandert vanaf mei 2018 het examen schrijven. Je moet dan ook “iets vertellen over uzelf”, zoals DUO het noemt. Omdat het nu ramadan is en veel leerlingen dat vieren, gaan we iets vertellen over deze maand. Als je geen ramadan houdt, mag je iets vertellen over je verjaardag.

OPDRACHT
Vertel iets over ramadan. Schrijf minimaal vier hele zinnen. Denk aan:
– Hoelang duurt het feest en wanneer begint het?
– Waarom vier je het?
– Wat doe je allemaal tijdens ramadan? En moet iedereen meedoen?

Probeer nu eerst de oefening te maken. Schrijf een stukje tekst. Kijk daarna pas onder het plaatje!
Onder het plaatje staat een mogelijk antwoord. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer antwoorden goed. Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!
Veel succes en ramadan mubarak!

ramadan_2018 (c)uilentaal, lekkers ter gelegenheid van Ramadan, gekregen van een van mijn leerlingen :-))

(c) uilentaal, lekkers ter gelegenheid van ramadan, gekregen van een van mijn leerlingen :-))

Goede teksten kunnen zijn:
1) Ramadan
De ramadan duurt een maand. Het begint elk jaar op een andere dag, dat komt door de maan.
Ik vier het, omdat het de vastenmaand is in islam. Die is heel belangrijk.
Overdag mag je niet eten en drinken. Als de zon onder is, eten we lekkere hapjes.
Je hoeft niet te vasten, als je ziek of zwanger bent.
2) Verjaardag
Ik ben elk jaar in januari jarig.
Ik vier mijn verjaardag, omdat ik het gezellig vind.
Ik krijg familie en vrienden op bezoek.
Wij praten samen en eten en drinken lekkere dingen.

Advertenties

iets vertellen over uzelf – de hobby

Voor mijn leerlingen!

Het examen schrijven verandert vanaf mei 2018 een beetje! Je moet dan ook een keer “iets vertellen over uzelf” zoals DUO het noemt op de site.
Daarom gaan we daarmee gelijk maar oefenen! :))

OPDRACHT
Vertel iets over uw hobby. Schrijf minimaal vier hele zinnen. Denk aan:
– Hoe lang ben ik al bezig met mijn hobby?
– Waarom vind ik mijn hobby zo leuk?
– Hoeveel tijd besteed ik aan mijn hobby in de week?

Probeer nu eerst de oefening te maken. Schrijf een stukje tekst over jouw hobby. Kijk daarna pas onder het plaatje!
Onder het plaatje staat een mogelijk antwoord. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer antwoorden goed. Als je de oefening gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!
Veel succes!

Een goede tekst kan zijn:
1 (vrouw)
Mijn hobby is decoreren. Ik heb mijn hobby al sinds mijn jeugd.
Ik vind het leuk om mijn huis mooi te maken, omdat ik van mooie spullen (=dingen) houd.
Elke week ben ik wel een paar uur bezig met mijn hobby.
Ik verander de inrichting van mijn woonkamer dan een beetje.

2 (man)
Mijn hobby is voetballen. Ik heb mijn hobby al sinds mijn jeugd.
Ik vind voetballen leuk, omdat het gezond en gezellig is.
Elke week voetbal ik wel drie avonden.
Ik spreek dan ook mijn vrienden en wij hebben plezier.

praten in hele zinnen -3

(c) lezenmetkids.wordpress.comVoor mijn leerlingen!

Hieronder zie je een aantal vragen mèt het begin van de antwoorden. Je kunt de zinnen dan alleen oefenen! Het is een goede oefening voor het praten op je examen. Je hebt voor elk antwoord 15 seconden de tijd.

Een beetje GRAMMATICA:
Een normale zin begint in het Nederlands altijd met het onderwerp (bijvoorbeeld: ik, de school, de tandarts….). Daarna komt de persoonsvorm van het werkwoord. (bijvoorbeeld eet,  houd, kook, kijk ……).
Bijvoorbeeld: Ik eet vaak pasta.
In een vraagzin draaien wij dit om. Dat heet inversie of omdraaiing.
Bij een inversie of omdraaiing zie je dus eerst de persoonsvorm van het werkwoord en daarna pas het onderwerp.
Bijvoorbeeld: Eet u vaak pasta?
Soms begint de vraagzin hieronder met de persoonsvorm van het werkwoord. Je maakt dan een antwoord met “ja” of “nee” en daarachter een normale zin (voorbeeld A).
Soms begint de vraagzin met een vraagwoord. Een vraagwoord is bijvoorbeeld welk, wat, hoe, wanneer, waarom. Je maakt dan direct een antwoord met een normale zin (voorbeeld B).

A) voorbeelden:
Eet u vaak pasta?
Ja, ik eet vaak pasta.
Nee, ik eet nooit pasta.
B)
Welk gerecht eet u vaak?
Ik eet vaak pasta.

Hier zijn de vragen:

1)
Wat voor
groente eet u vaak? (wat voor = welk/e)
Ik eet
vaak ……..
2)
Hoe vaak eet u deze groente?
Ik eet deze groente………
3)
Houdt u van koken?
Ja, ik houd ……..
Nee, ik houd niet……
4)
Wat kookt u dan het liefst?
Ik kook ………
5)
Naar welke TV-zender kijkt u vaak?
Ik kijk
vaak ………….. (zender= BBC / NPO 1 / Al Jazeera / RTL4, ………)
6)
Welk programma op deze zender vindt u leuk of interessant?
Ik vind …………… (programma= het nieuws, de detectivefilm, het jeugdjournaal, VT-wonen) leuk.
7)
Gaat u naar school?
Ja, ik ga……..
Nee, ik ga…….
8)
Welke dagen gaat u naar school?
Ik ga
op…….
9)
Hoe laat begint de school?
De school begint om ………
10)
En hoe laat is de school afgelopen?
De school is ……………………………… afgelopen.
11)
Bent u ook druk in de week?
Ja, ik ben………………
Nee, ik ben niet ………………
12)
Wat doet u dan allemaal?
Ik ga ………………………..
Ik haal .………………………..
Ik moet naar ……………………
13)
Heeft u veel huiswerk van school?
Ja, ik heb ……………………..
Nee, ik heb niet ………………….
14)
Welk huiswerk vindt u het moeilijkst?
Ik vind ……………………………………………… het moeilijkst.
15)
Wilt u een afspraak maken?
Ja, ik wil ……………………………………. maken.
16)
Wanneer wilt u dan een afspraak hebben?
Ik wil
………………………………..
17)
Hoe vaak gaat u naar de tandarts?
Ik ga ……………………………………. naar de tandarts.
18)
En wat doet de tandarts dan?
De tandarts kijkt ………………………………
De tandarts boort ………………………………
De tandarts vult …………………………………
19)
Gaat u wel eens naar de dokter?
Ja, ik ga ………………………………….. dokter.
Nee, ik ga nooit ………………………………… dokter.
20)
Waarom gaat u dan naar de dokter?
Ik ga naar de dokter, omdat …………………………

Vond je het moeilijk? Je kunt de vragen over een paar dagen nog weer eens herhalen. Als je het vaak herhaalt, gaat het praten steeds makkelijker. Je kunt dan steeds sneller een mooie hele zin maken.
We kunnen de zinnen in de les samen oefenen, als je dat wilt.

KNM – thema Instanties -1

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Instanties. Instanties zijn bijvoorbeeld de gemeente, de belastingdienst of de politie.

Dit keer gaan de vragen over de gemeente en in Nederland blijven.

1) Een instantie is bijvoorbeeld de gemeente. Wat is een gemeente, wat kan je erover vertellen?
Een gemeente is een klein stukje van een provincie. De gemeente Utrecht is bijvoorbeeld de stad Utrecht, samen met een paar dorpjes in de buurt.
Het bestuur van een gemeente noemen we ook gemeente.
Elke gemeente heeft een gemeentehuis.

2) Wanneer moet je naar het gemeentehuis?
Bij het regelen van officiële dingen:
– als er iets belangrijks verandert in je leven. Je geeft dan een verandering of wijziging door.
– als je een document (=een  belangrijk papier, bewijs) moet aanvragen of verlengen.
– als je een vergunning (= toestemming) moet aanvragen.

3) Welke belangrijke veranderingen of wijzigingen in je leven moet je melden bij de gemeente?
geboorte van een kind;
overlijden van een gezinslid;
– als je gaat trouwen;
– als je gaat verhuizen.

4a) Hoe heet de eigen administratie van de gemeente?
Vroeger de Gemeentelijke BasisAdministratie (GBA).
Sinds een paar jaar heet dit de BasisRegistratie Personen (BRP).
4b) Wat staat er bijvoorbeeld in de GBA of BRP?
Wie er in een gemeente woont.
Waar iemand woont en met wie hij woont.
Of iemand getrouwd is of samenwoont.

5) Wat is een document? En geef een paar voorbeelden van een document.
Een document is een belangrijk en officieel papier. Het is een bewijs.
Voorbeelden zijn:
een rijbewijs, dat je moet hebben om auto te rijden;
een paspoort, dat bewijst wie jij bent en dat je moet hebben om naar landen buiten Europa te reizen;
een ID-bewijs, dat bewijst ook wie je bent en je kunt er mee door Europa reizen.

6) Wat is een vergunning? En geef ook hier een paar voorbeelden.
Een vergunning is een toestemming. Het zegt dat je iets mag doen. Zonder zo’n vergunning mag je dat niet doen!
Voorbeelden zijn:
een bouwvergunning, hiermee mag je een huis of een grote schuur bouwen of je huis groter maken;
een sloopvergunning, hiermee mag je een oud huis of gebouw slopen (=kapot maken en weghalen)
een kapvergunning, hiermee mag je een grote boom in je tuin kappen (=omzagen, omhakken).

7a) Wat heb je als niet-Nederlander nodig als je in Nederland wilt blijven wonen?
Een verblijfsvergunning óf
een visum (hiermee mag je maximaal 3 maanden blijven).
7b) Waar kan je een verblijfsvergunning aanvragen en hoe doe je dit?
Bij de gemeente met een aanvraagformulier.
7c) Wat doet de gemeente met jouw aanvraagformulier?
De gemeente stuurt het formulier door naar de IND.
7d) Wat betekent IND?
Het is de Immigratie- en NaturalisatieDienst.
7e) Binnen hoeveel tijd moet de IND beslissen over jouw aanvraag voor een verblijfsvergunning?
Binnen 6 maanden.

8a) Wat is een MVV?
Een Machtiging Voorlopig verblijf.
8b) Wat kan je vertellen over een Machtiging Voorlopig Verblijf?
– Die heb je soms nodig voordat je naar Nederland komt.
– Je kunt deze aanvragen bij de Nederlandse ambassade of het consulaat in het land waar je woont.
– Wanneer je een MVV hebt, kun je wél naar Nederland komen, maar moet je ook nog een verblijfsvergunning aanvragen.

9) Wat moet je binnen 3 dagen doen, wanneer je in Nederland bent aangekomen?
– een verblijfsvergunning aanvragen op het gemeentehuis;
– je melden bij de politie om te zeggen dat je in Nederland bent.

10a) Wat moet je doen als je Nederlander wilt worden?
Je moet een aanvraag voor naturalisatie doen.
10b) Wat betekent naturalisatie?
Het betekent dat je Nederlander wordt.
10c) Waar vraag je naturalisatie aan?
Op het gemeentehuis.
10d) Wat doet de gemeente met jouw aanvraag voor naturalisatie?
De gemeente stuurt de aanvraag door naar de IND voor een beslissing.

Binnenkort komen er nog meer vragen met antwoorden over het thema “instanties”, het gaat dan over de Belastingdienst.
Veel succes alvast bij het leren voor KNM of Kennis Nederlandse Maatschappij.

nog meer lichtjes…..

Voor mijn leerlingen!

We zitten met z’n allen volop in de feestdagen, kan je wel zeggen! Ik schreef al even over advent, het feest dat christenen voorbereidt op de kerst.
Maar niet alleen de christelijke Nederlanders vieren hun feestje met lichtjes, ook de Joodse Nederlanders zijn al een week in de weer met hún feestje: Chanoeka.
Dat is voor de Joden het feest van de lichtjes, het inwijdingsfeest. Zij vieren het wonder van de lichtjes, dat zich afspeelde toen de Joden de Tempel op de Grieken heroverden in het jaar 164 voor de gewone jaartelling .
De Tempel moest worden heringewijd, er was dus olie voor het licht van de Menorah in de Tempel nodig. Er bleek nog ergens een restje goede olie te zijn, precies genoeg voor één dag. Het duurde echter acht dagen voordat er weer nieuwe, goede olie gevonden was. Het wonder nu is, dat de weinige olie die er nog was, toch genoeg was om acht dagen lang het licht in de Tempel te laten branden!
Om dit te herdenken worden met Chanoeka acht dagen lang lichtjes aangestoken, elke dag ééntje meer.

chanoeka2017 (c)uilentaal

In Nederland zijn er op verschillende plaatsen in het land vaak openbare chanoekavieringen waarbij een heel grote chanoekia wordt aangestoken.
Zo werden er dit jaar al lichtjes aangestoken in Lelystad (1e), in Harderwijk (2e) en was er veel prominent bekijks bij het aansteken in Amsterdam (6e). Heel fijn!
Hiernaast zien jullie het 7e lichtje in onze vensterbank, want bij Uilentaal zijn er heerlijk dubbelop lichtjes in huis in deze tijd ;-)!! Chag Chanoeka Sameach!

bij afscheid hoort lekkers……

somalisch lekkers (c)uilentaalVandaag heb ik met pijn in mijn hart afscheid genomen van een paar heel lieve leerlingen! Ik ken ze nu al een paar jaar en ze hebben altijd heel erg hard gestudeerd om al dat vreselijk moeilijke Nederlands te leren! Want Nederlands ís moeilijk! Vooral als je uit Somalië komt, waar het al langer dan 25 jaar oorlog is.
Er waren ter ere van het afscheid lekkere Somalische hapjes gemaakt. De driehoekige hapjes op de foto zijn Sambusa’s (met vlees en kruiden gevuld deeg) en de andere kleine snacks zijn Bajiya (een vegetarische bonen-snack). Voor het Nederlandse tintje waren er ook plakjes cake :)!! Het was heel lekker allemaal en natuurlijk heel gezellig!!

Ik wens jullie verder heel veel geluk in Nederland!

advent

Voor mijn leerlingen!

Advent is begonnen. Vandaag is het de eerste advent, zoals de christelijke Nederlanders dat noemen. De adventstijd begint altijd op een zondag en heeft vier adventszondagen. Het zijn de vier zondagen voor de kerst. Zoals jullie weten is kerst altijd op vaste data: op 25&26 december. De vier zondagen voor de kerst van dit jaar zijn dus 3, 10, 17 en 24 december. Kijk maar even mee op de kalender.
Met de adventstijd bereiden christenen zich voor op het kerstfeest, waarmee de komst van Jezus Christus wordt gevierd. Advent komt van “adventus”, dat ook komst betekent. In de adventstijd zijn christenen dus al bezig met deze komst van christus. Hier kan je wat meer over advent lezen.

In Nederland merk je eigenlijk niet zoveel van de adventstijd, wanneer je gewoon in de Nederlandse huizen of op straat komt. In bijvoorbeeld ons buurland Duitsland is dat anders. Daar worden met de start van de adventstijd overal de kerstmarkten geopend en in de Duitse huizen vind je overal tekenen van advent, zoals adventskransen of allerlei decoratie met vier kaarsen of lichtjes. Ook wenst men elkaar in de winkels en bij ontmoetingen heel nadrukkelijk een goede eerste, tweede, derde of vierde advent. Iets wat wij in Nederland niet kennen. Verder is er tegenwoordig weer een groots muziekprogramma op de Duitse tv met advent. Er worden dan voornamelijk Duitstalige liedjes gezongen.

Ik vind het een mooie gewoonte om de advent een beetje nadrukkelijk te “vieren”. Eigenlijk ben ik wel jaloers op deze Duitse traditie. Daarom maak is mijn huis ook graag een beetje in de sfeer van advent!

oefenexamen spreken: vragen én antwoorden -4

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden. Zoals je kunt lezen, zijn er meerdere antwoorden die goed kunnen zijn.
Let op de vetgedrukte woorden, die zijn belangrijk bij het maken van jouw antwoord.

Het gaat om oefenexamen 4.

1) Wat vindt u de leukste dag van de week? Vertel ook waarom.
Ik vind de vrijdag de leukste dag van de week, omdat het dan bijna weekend is.
óf
Ik vind donderdag de leukste dag van de week. Donderdag heb ik zwemles.

2) Met wie woont u in uw huis? Vertel ook hoelang u daar al woont.
Ik woon met mijn zus in mijn huis. Ik woon hier al 4 jaar.
óf
Ik woon al 4 jaar met mijn familie in mijn huis.

3) Wat  doet u het liefst in uw vrije tijd? Vertel ook hoe vaak u dat doet.
Ik zwem het liefst in mijn vrije tijd. Ik doe dat 1 keer per week.
óf
Ik zwem het liefst. Ik zwem 1 keer per week.

4)
Wat vindt u een leuk programma op TV? Vertel ook waar dat over gaat.
Ik vind het jeugdjournaal leuk. Het gaat over nieuws voor kinderen.
óf
In vind opsporing verzocht een leuk programma. Het gaat over inbreken en overvallen.

5) Wat vindt u van uw buren? Vertel ook hoelang u ze al kent.
Mijn buren zijn heel aardig. Ik ken ze al 5 jaar.
óf
Dat weet ik niet, ik ken mijn buren niet.

6) Waar ging u vroeger naar school? Vertel ook iets over die school.
Ik ging vroeger in Somalië naar school. Ik leerde Kor’an lezen.
óf
Ik ging vroeger in Syrië naar school. Het was een grote universiteit met  veel studenten.

7) Welke sport vindt u leuk om naar de kijken. Vertel ook waarom.
Ik vind voetbal leuk om naar te kijken, omdat ik van voetbal houd.
óf
Ik vind zwemmen leuk om naar te kijken, omdat ikzelf leer zwemmen.

8) Nederland ligt aan zee. Hoe vaak gaat u naar zee? Vertel ook wat u daar dan doet.
Ik ga in de zomer elke week naar zee, dan ga ik zwemmen.
óf
Ik ga 2 keer per week naar zee, dan loop ik hard.

9) Naar welk land wilt u graag een keer gaan? Vertel ook waarom.
Ik wil graag een keer naar Ethiopië, omdat ik daar vrienden wil bezoeken.
óf
Ik wil graag een keer naar Amerika, omdat daar familie woont.

10) Wat voor huis hebt u? Vertel ook wat voor huis u vroeger had.
Ik heb een appartement in een flat. Vroeger had ik een groot vrijstaand huis.
óf
Ik heb een rijtjeshuis. Vroeger had ik een appartement in de stad.

11) Nederlanders hebben vaak haast. Wat vindt u daarvan? Vertel ook wanneer u haast hebt.
Ik vind het niet goed. Ik heb alleen ’s ochtends haast.
óf
Ik vind het normaal. Ik heb haast als ik moet werken.

12) U moet werken maar u bent ziek. Wat doet u dan? Vertel ook waarom.
Ik bel mijn baas, omdat ik mij ziek moet melden.
óf
Ik bel naar mijn werk, omdat mijn collega dat moet weten.

Heel veel succes met oefenen! En nog meer succes met het examen!! :)

oefenexamen spreken: vragen én antwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden. Zoals je kunt lezen, zijn er meerdere antwoorden die goed kunnen zijn.
Let op de vetgedrukte woorden, die zijn belangrijk bij het maken van jouw antwoord.

Het gaat om oefenexamen 1.

1) Reist u vaak met de bus? Vertel ook waarom.
Ja ik reis vaak met de bus, omdat het makkelijk is.
óf
Nee, ik reis niet vaak met de bus, omdat ik op de fiets ga.

2) Wat vindt u een leuk programma op TV? Vertel ook welk programma u niet leuk vindt.
Ik vind het jeugdjournaal een leuk programma, maar ik vind een enge film niet leuk.
óf
Ik vind het journaal leuk. Het jeugdjournaal vind ik niet leuk.

3) Wat voor fruit eet u vaak? Vertel ook hoe vaak u fruit eet.
Ik eet vaak sinaasappels. Ik eet elke dag fruit.
óf
Ik eet elke dag wel een banaan.

4) In Nederland regent het vaak. Wat vindt u daarvan? Vertel ook hoe het weer is in uw eigen land.
Ik vind regen niet leuk. Het weer in mijn eigen land is lekker warm.
óf
Ik houd van de regen. In mijn eigen land regent het bijna niet.

5) Hoe vaak gebruikt u uw telefoon? Vertel ook waarvoor u uw telefoon gebruikt.
Ik gebruik mijn telefoon elke dag, om mijn moeder te bellen.
óf
Ik gebruik mijn telefoon elke dag. Ik gebruik het om te bellen.

6) Ik was vandaag te laat op mijn werk. Waarom bent u wel eens te laat? Zeg ook wat u dan doet.
Ik ben wel eens te laat omdat ik mij verslaap. Dan bel ik mijn werk.
óf
Ik ben wel eens te laat, omdat de bus weg is. Dan bel ik mijn baas.

7) Wat leest u graag? Zeg ook hoe vaak u leest.
Ik lees graag een boek. Ik lees elke week.
óf
Ik lees graag de krant elke dag.

8) Ik krijg het liefst bloemen als ik jarig ben. Wat krijgt u het liefst cadeau? Vertel ook waarom.
Ik krijg ook het liefst bloemen, omdat ik van bloemen houd.
óf
Ik krijg het liefst een boek als ik jarig ben, omdat ik van lezen houd.

9) Wat voor eten maakt u het liefst? Vertel ook hoe u dat maakt.
Ik maak het liefst pasta. Ik kook de pasta in heet water.
óf
Ik maak het liefst aardappelen met groente. Ik kook de aardappelen en groente in de pan.

10) Ik wil graag leren schilderen. Wat wilt u graag leren? Zeg ook waar u dat kunt leren.
Ik wil ook graag leren schilderen. Dat kan ik in Den Haag leren.
óf
Ik wil graag leren naaien in Rotterdam.

11) Wat doet u het liefst als het mooi weer is? En zeg ook waar u dat doet.
Ik ben het liefst buiten, in het park.
óf
Ik ga het liefst zwemmen als het mooi weer is. Ik zwem in zee.

12) Wat voor werk doet u nu? Vertel ook wat voor werk u vroeger deed.
Ik doe nu schoonmaakwerk. Vroeger werkte ik op kantoor.
óf
Ik werk nu in de tuinbouw. Vroeger was ik chauffeur.

Veel succes met het oefenen! Én met het examen!!

KNM – thema opvoeding en onderwijs -4

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Teksten 1, 2 en 3 over kinderen en verantwoordelijkheid

1) Wat is verantwoordelijkheid?
Je bent verantwoordelijk of je hebt verantwoordelijkheid als je goed voor iets of iemand moet zorgen.
Bijvoorbeeld ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen.

2) Wat is aansprakelijkheid?
Je bent dan verantwoordelijk voor wat er gebeurt en je kunt aangesproken worden om voor de betaling te zorgen.
Bijvoorbeeld als je kind een raam stuk maakt bij de buren. Het raam wordt dan weer gemaakt door de schilder. Jij moet dan de rekening van de schilder voor de buren betalen.

3a) Tot welke leeftijd zijn de ouders altijd aansprakelijk voor hun kinderen?
Voor de kinderen van 0 tot 14 jaar.

3b) Tot welke leeftijd zijn de kinderen zelf aansprakelijk, maar soms ook de ouders?
Voor de kinderen van 14 tot 18 jaar.

3c)
Op welke leeftijd is een kind zelf aansprakelijk voor de dingen die hij/zij doet?
Vanaf 18 jaar.
Als een kind van ouder dan 18 iets stuk maakt, moet hij/zij zelf de schade betalen.
Als een kind van ouder dan 18 jaar schulden maakt, moet hij/zij deze schulden zelf betalen!

4) Opvoeden van kinderen is best moeilijk. Waar kan je hulp vragen bij het opvoeden van je kind, als je het alleen niet meer weet?
De huisarts: je kunt met de huisarts over een probleem praten.
Bureau Jeugdzorg: je kunt hier grote en kleine problemen bij de opvoeding van je kind bespreken. Bureau Jeugdzorg kan je dan helpen het probleem op te lossen.
Het Ouder- en Kind Centrum (OKC): Het OKC geeft informatie over opvoeden. Het geeft ook cursussen waarmee je leert om kinderen beter op te voeden.

5a) Ouders in Nederland moeten betrokken zijn bij hun kind op school. Wat is dat?
Dat betekent dat ouders meedoen en weten wat er op school met het kind gebeurt.

5b) Hoe kan je in Nederland betrokken zijn bij de school van je kind?
Je gaat naar de gespreksavonden op school. Je spreekt daar de docent/leraar van je kind.
Je hoort of het goed gaat met je kind óf dat er misschien problemen zijn.

6a) Wat is een ouderavond?
Op school zijn er een paar maal per jaar ouderavonden.
Je krijgt op deze avonden informatie over verschillende dingen en je kunt vragen stellen.

6b) Over welke onderwerpen kan je op een ouderavond informatie krijgen?
Over pesten, internet voor het kind, wat te doen bij een probleem met het opvoeden.

7) Bij welke dingen kan je als ouder helpen op school?
Bij lezen en voorlezen, knutselen (is leuke dingen maken), Sinterklaas, schoolreisje of excursie.

Binnenkort komen er nog meer vragen met antwoorden. Dan gaat het over het thema “instanties”, zoals bijvoorbeeld de politie, de gemeente of de belastingdienst.
Veel succes alvast bij het leren voor KNM of Kennis Nederlandse Maatschappij.