advent

Voor mijn leerlingen!

Advent is begonnen. Vandaag is het de eerste advent, zoals de christelijke Nederlanders dat noemen. De adventstijd begint altijd op een zondag en heeft vier adventszondagen. Het zijn de vier zondagen voor de kerst. Zoals jullie weten is kerst altijd op vaste data: op 25&26 december. De vier zondagen voor de kerst van dit jaar zijn dus 3, 10, 17 en 24 december. Kijk maar even mee op de kalender.
Met de adventstijd bereiden christenen zich voor op het kerstfeest, waarmee de komst van Jezus Christus wordt gevierd. Advent komt van “adventus”, dat ook komst betekent. In de adventstijd zijn christenen dus al bezig met deze komst van christus. Hier kan je wat meer over advent lezen.

In Nederland merk je eigenlijk niet zoveel van de adventstijd, wanneer je gewoon in de Nederlandse huizen of op straat komt. In bijvoorbeeld ons buurland Duitsland is dat anders. Daar worden met de start van de adventstijd overal de kerstmarkten geopend en in de Duitse huizen vind je overal tekenen van advent, zoals adventskransen of allerlei decoratie met vier kaarsen of lichtjes. Ook wenst men elkaar in de winkels en bij ontmoetingen heel nadrukkelijk een goede eerste, tweede, derde of vierde advent. Iets wat wij in Nederland niet kennen. Verder is er tegenwoordig weer een groots muziekprogramma op de Duitse tv met advent. Er worden dan voornamelijk Duitstalige liedjes gezongen.

Ik vind het een mooie gewoonte om de advent een beetje nadrukkelijk te “vieren”. Eigenlijk ben ik wel jaloers op deze Duitse traditie. Daarom maak is mijn huis ook graag een beetje in de sfeer van advent!

Advertenties

oefenexamen spreken: vragen én antwoorden -4

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden. Zoals je kunt lezen, zijn er meerdere antwoorden die goed kunnen zijn.
Let op de vetgedrukte woorden, die zijn belangrijk bij het maken van jouw antwoord.

Het gaat om oefenexamen 4.

1) Wat vindt u de leukste dag van de week? Vertel ook waarom.
Ik vind de vrijdag de leukste dag van de week, omdat het dan bijna weekend is.
óf
Ik vind donderdag de leukste dag van de week. Donderdag heb ik zwemles.

2) Met wie woont u in uw huis? Vertel ook hoelang u daar al woont.
Ik woon met mijn zus in mijn huis. Ik woon hier al 4 jaar.
óf
Ik woon al 4 jaar met mijn familie in mijn huis.

3) Wat  doet u het liefst in uw vrije tijd? Vertel ook hoe vaak u dat doet.
Ik zwem het liefst in mijn vrije tijd. Ik doe dat 1 keer per week.
óf
Ik zwem het liefst. Ik zwem 1 keer per week.

4)
Wat vindt u een leuk programma op TV? Vertel ook waar dat over gaat.
Ik vind het jeugdjournaal leuk. Het gaat over nieuws voor kinderen.
óf
In vind opsporing verzocht een leuk programma. Het gaat over inbreken en overvallen.

5) Wat vindt u van uw buren? Vertel ook hoelang u ze al kent.
Mijn buren zijn heel aardig. Ik ken ze al 5 jaar.
óf
Dat weet ik niet, ik ken mijn buren niet.

6) Waar ging u vroeger naar school? Vertel ook iets over die school.
Ik ging vroeger in Somalië naar school. Ik leerde Kor’an lezen.
óf
Ik ging vroeger in Syrië naar school. Het was een grote universiteit met  veel studenten.

7) Welke sport vindt u leuk om naar de kijken. Vertel ook waarom.
Ik vind voetbal leuk om naar te kijken, omdat ik van voetbal houd.
óf
Ik vind zwemmen leuk om naar te kijken, omdat ikzelf leer zwemmen.

8) Nederland ligt aan zee. Hoe vaak gaat u naar zee? Vertel ook wat u daar dan doet.
Ik ga in de zomer elke week naar zee, dan ga ik zwemmen.
óf
Ik ga 2 keer per week naar zee, dan loop ik hard.

9) Naar welk land wilt u graag een keer gaan? Vertel ook waarom.
Ik wil graag een keer naar Ethiopië, omdat ik daar vrienden wil bezoeken.
óf
Ik wil graag een keer naar Amerika, omdat daar familie woont.

10) Wat voor huis hebt u? Vertel ook wat voor huis u vroeger had.
Ik heb een appartement in een flat. Vroeger had ik een groot vrijstaand huis.
óf
Ik heb een rijtjeshuis. Vroeger had ik een appartement in de stad.

11) Nederlanders hebben vaak haast. Wat vindt u daarvan? Vertel ook wanneer u haast hebt.
Ik vind het niet goed. Ik heb alleen ’s ochtends haast.
óf
Ik vind het normaal. Ik heb haast als ik moet werken.

12) U moet werken maar u bent ziek. Wat doet u dan? Vertel ook waarom.
Ik bel mijn baas, omdat ik mij ziek moet melden.
óf
Ik bel naar mijn werk, omdat mijn collega dat moet weten.

Heel veel succes met oefenen! En nog meer succes met het examen!! :)

oefenexamen spreken: vragen én antwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden. Zoals je kunt lezen, zijn er meerdere antwoorden die goed kunnen zijn.
Let op de vetgedrukte woorden, die zijn belangrijk bij het maken van jouw antwoord.

Het gaat om oefenexamen 1.

1) Reist u vaak met de bus? Vertel ook waarom.
Ja ik reis vaak met de bus, omdat het makkelijk is.
óf
Nee, ik reis niet vaak met de bus, omdat ik op de fiets ga.

2) Wat vindt u een leuk programma op TV? Vertel ook welk programma u niet leuk vindt.
Ik vind het jeugdjournaal een leuk programma, maar ik vind een enge film niet leuk.
óf
Ik vind het journaal leuk. Het jeugdjournaal vind ik niet leuk.

3) Wat voor fruit eet u vaak? Vertel ook hoe vaak u fruit eet.
Ik eet vaak sinaasappels. Ik eet elke dag fruit.
óf
Ik eet elke dag wel een banaan.

4) In Nederland regent het vaak. Wat vindt u daarvan? Vertel ook hoe het weer is in uw eigen land.
Ik vind regen niet leuk. Het weer in mijn eigen land is lekker warm.
óf
Ik houd van de regen. In mijn eigen land regent het bijna niet.

5) Hoe vaak gebruikt u uw telefoon? Vertel ook waarvoor u uw telefoon gebruikt.
Ik gebruik mijn telefoon elke dag, om mijn moeder te bellen.
óf
Ik gebruik mijn telefoon elke dag. Ik gebruik het om te bellen.

6) Ik was vandaag te laat op mijn werk. Waarom bent u wel eens te laat? Zeg ook wat u dan doet.
Ik ben wel eens te laat omdat ik mij verslaap. Dan bel ik mijn werk.
óf
Ik ben wel eens te laat, omdat de bus weg is. Dan bel ik mijn baas.

7) Wat leest u graag? Zeg ook hoe vaak u leest.
Ik lees graag een boek. Ik lees elke week.
óf
Ik lees graag de krant elke dag.

8) Ik krijg het liefst bloemen als ik jarig ben. Wat krijgt u het liefst cadeau? Vertel ook waarom.
Ik krijg ook het liefst bloemen, omdat ik van bloemen houd.
óf
Ik krijg het liefst een boek als ik jarig ben, omdat ik van lezen houd.

9) Wat voor eten maakt u het liefst? Vertel ook hoe u dat maakt.
Ik maak het liefst pasta. Ik kook de pasta in heet water.
óf
Ik maak het liefst aardappelen met groente. Ik kook de aardappelen en groente in de pan.

10) Ik wil graag leren schilderen. Wat wilt u graag leren? Zeg ook waar u dat kunt leren.
Ik wil ook graag leren schilderen. Dat kan ik in Den Haag leren.
óf
Ik wil graag leren naaien in Rotterdam.

11) Wat doet u het liefst als het mooi weer is? En zeg ook waar u dat doet.
Ik ben het liefst buiten, in het park.
óf
Ik ga het liefst zwemmen als het mooi weer is. Ik zwem in zee.

12) Wat voor werk doet u nu? Vertel ook wat voor werk u vroeger deed.
Ik doe nu schoonmaakwerk. Vroeger werkte ik op kantoor.
óf
Ik werk nu in de tuinbouw. Vroeger was ik chauffeur.

Veel succes met het oefenen! Én met het examen!!

KNM – thema opvoeding en onderwijs -4

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Teksten 1, 2 en 3 over kinderen en verantwoordelijkheid

1) Wat is verantwoordelijkheid?
Je bent verantwoordelijk of je hebt verantwoordelijkheid als je goed voor iets of iemand moet zorgen.
Bijvoorbeeld ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen.

2) Wat is aansprakelijkheid?
Je bent dan verantwoordelijk voor wat er gebeurt en je kunt aangesproken worden om voor de betaling te zorgen.
Bijvoorbeeld als je kind een raam stuk maakt bij de buren. Het raam wordt dan weer gemaakt door de schilder. Jij moet dan de rekening van de schilder voor de buren betalen.

3a) Tot welke leeftijd zijn de ouders altijd aansprakelijk voor hun kinderen?
Voor de kinderen van 0 tot 14 jaar.

3b) Tot welke leeftijd zijn de kinderen zelf aansprakelijk, maar soms ook de ouders?
Voor de kinderen van 14 tot 18 jaar.

3c)
Op welke leeftijd is een kind zelf aansprakelijk voor de dingen die hij/zij doet?
Vanaf 18 jaar.
Als een kind van ouder dan 18 iets stuk maakt, moet hij/zij zelf de schade betalen.
Als een kind van ouder dan 18 jaar schulden maakt, moet hij/zij deze schulden zelf betalen!

4) Opvoeden van kinderen is best moeilijk. Waar kan je hulp vragen bij het opvoeden van je kind, als je het alleen niet meer weet?
De huisarts: je kunt met de huisarts over een probleem praten.
Bureau Jeugdzorg: je kunt hier grote en kleine problemen bij de opvoeding van je kind bespreken. Bureau Jeugdzorg kan je dan helpen het probleem op te lossen.
Het Ouder- en Kind Centrum (OKC): Het OKC geeft informatie over opvoeden. Het geeft ook cursussen waarmee je leert om kinderen beter op te voeden.

5a) Ouders in Nederland moeten betrokken zijn bij hun kind op school. Wat is dat?
Dat betekent dat ouders meedoen en weten wat er op school met het kind gebeurt.

5b) Hoe kan je in Nederland betrokken zijn bij de school van je kind?
Je gaat naar de gespreksavonden op school. Je spreekt daar de docent/leraar van je kind.
Je hoort of het goed gaat met je kind óf dat er misschien problemen zijn.

6a) Wat is een ouderavond?
Op school zijn er een paar maal per jaar ouderavonden.
Je krijgt op deze avonden informatie over verschillende dingen en je kunt vragen stellen.

6b) Over welke onderwerpen kan je op een ouderavond informatie krijgen?
Over pesten, internet voor het kind, wat te doen bij een probleem met het opvoeden.

7) Bij welke dingen kan je als ouder helpen op school?
Bij lezen en voorlezen, knutselen (is leuke dingen maken), Sinterklaas, schoolreisje of excursie.

Binnenkort komen er nog meer vragen met antwoorden. Dan gaat het over het thema “instanties”, zoals bijvoorbeeld de politie, de gemeente of de belastingdienst.
Veel succes alvast bij het leren voor KNM of Kennis Nederlandse Maatschappij.

KNM – thema opvoeding en onderwijs-3

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Tekst 1&2 over vervolgonderwijs

1) Hoe oud ben je meestal aan het eind van de middelbare school?
16, 17 of 18  jaar.

2a) Wat kan je doen met een diploma van de middelbare school?
Je kan naar het vervolgonderwijs.

2b) Noem eens 3 soorten vervolgonderwijs.
mbo, hbo en universiteit.

3a) Vertel iets over het mbo.
Het mbo duurt 4 jaar.
Je leert veel praktijk en minder theorie.
Je leert een echt beroep.

3b) Noem een aantal beroepen dat je kan worden op het  mbo.
buschauffeur, kok, kapper, administratief medewerker.

3c) Waar kan je een mbo-opleiding volgen?
Aan een ROC. (= Regionaal OpleidingsCentrum)

4a) Vertel iets over het  hbo.
Het hbo duurt 4 jaar.
Je leert een beetje praktijk en meer theorie.

4b) Noem een aantal beroepen dat je kan worden op het  hbo.
verpleegkundige, fysiotherapeut, leraar, manager, journalist.

4c) Waar kan je een hbo-opleiding volgen?
Op een hogeschool. Er zijn ongeveer 40 hogescholen in Nederland.

4d) Met welk diploma kan je naar het hbo?
Met een havo-diploma of met een  mbo-diploma.

5a) Vertel iets over de universiteit.
De opleidingen zijn wetenschappelijk.
Dat betekent er is veel theorie en weinig praktijk.
De studie aan de universiteit duurt meestal 4, 5 of 6 jaar.

5b) Welke beroepen kan je worden met een universitaire opleiding?
arts, advocaat, tandarts, rechter.

5c) Hoeveel universiteiten zijn er in Nederland en kan je ook een paar steden noemen waar een universiteit is?
Er zijn ongeveer 10 universiteiten in Nederland, bijvoorbeeld in Leiden, Amsterdam, Groningen, Utrecht, Nijmegen.

6) Hoe kun je je inschrijven voor een vervolgopleiding?
Voor het mbo: bij een ROC.
Voor het hbo of universiteit: bij DUO (http: www.duo.nl)

7a) Wat is studiefinanciering?
Geld dat je van de overheid/staat krijgt om je vervolgopleiding mee te betalen.

7b) Voor welke opleidingen krijg je studiefinanciering?
Voor de universiteit, het hbo of het mbo (als je 18 jaar of ouder bent).

7c) Welke instantie regelt de studiefinanciering?
Het DUO.

8) Kunt je ook studeren als je volwassen bent? Wat kan je erover vertellen?
Ja, je kunt dan ook studeren. Het is wel vaak duurder. Ook zijn er andere regels voor toelating.

Binnenkort volgen er meer vragen en antwoorden over het thema Opvoeding en Onderwijs. We gaan het dan hebben over de opvoeding van kinderen.

schrijfopdracht -stuur een e-mail-4

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek: een nieuwe schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen!

Hoe was het ook al weer? Even herhalen:
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je moet jouw huurtoeslag voor het eerst aanvragen en je wilt het snel ontvangen, daarom doe je het via Vluchtelingenwerk in jouw gemeente. Schrijf een e-mail aan de heer Piet Janssen van Vluchtelingenwerk.

– schrijf (bedenk zelf) het e-mailadres van Vluchtelingenwerk in de mail;
– schrijf een “betreft” of “onderwerp”-regel in de mail.

1) Schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

2) Schrijf de inhoud van de e-mail.
Vraag om een afspraak met de heer Janssen om samen de huurtoeslag versneld aan te kunnen vragen. Schrijf op welke dagen je wel en op welke dagen je beslist niet kunt. Vraag om een dag en tijdstip waarop de heer Janssen jou kan ontvangen.

3) Schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Succes! Lever het gemaakte werk bij mij in en ik kijk het voor je na!

schrijfopdracht – stuur een e-mail-3

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek plaats ik hier een nieuwe schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.

Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je wilt beter Nederlands leren praten en nieuwe mensen leren kennen buiten school. Dat kan door een goedkope activiteit te gaan doen. Hiervoor kan je in Nederland het Welzijnswerk om informatie vragen. Het Welzijnswerk in jouw gemeente heet “SamenLeven”. Stuur een e-mail.

– schrijf (bedenk zelf) het e-mailadres van het Welzijnswerk in jouw gemeente in de mail;
– schrijf een “betreft”/ onderwerp-regel in de mail.

1) Schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

2) Schrijf de inhoud van de e-mail.
Vraag welke goedkope activiteiten er in jouw gemeente worden aangeboden en waar en wanneer deze activiteiten plaatsvinden. Vraag hoeveel de activiteiten kosten en vertel waarom het niet duur mag zijn. 
Vraag ook of je zelf voor spullen moet zorgen.

3) Schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Succes! Lever het gemaakte werk bij mij in en ik kijk het voor je na!

schrijfopdracht – stuur een e-mail-2

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek plaats ik hier nog weer een nieuwe schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.

Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je wilt leren zwemmen. Je kunt in jouw woonplaats leren zwemmen in Zwembad “De Kikkerpoel”Stuur een e-mail waarin je vraagt om informatie.

– schrijf (bedenk zelf) het e-mailadres van het zwembad in de mail;
– schrijf een “betreft”/ onderwerp-regel in de mail.

1) Schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

2) Schrijf de inhoud van de e-mail, waarin je vraagt wanneer de zwemlessen voor diploma A zijn. Vraag ook hoeveel het kost,  of het zwemmen gemengd is, of er aparte uren voor vrouwen zijn en of vrouwen in een burkini mogen zwemmen.

3) Schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw e-mail dan aan mij in de les.

KNM – thema opvoeding en onderwijs-2

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Tekst 3: het voortgezet onderwijs

1) Hoeveel soorten voortgezet onderwijs zijn er in Nederland?
4 soorten:
– het praktijkonderwijs;
– het vmbo;
– het havo;
– het vwo.

2) Hoe noemen we in Nederland het voortgezet onderwijs ook nog steeds?
De middelbare school.

3) Hoe oud zijn de kinderen als ze naar de middelbare school of het voortgezet onderwijs gaan?
De kinderen zijn dan 12 jaar.

4) Wat is een vmbo?
Het vmbo doet veel aan praktijk.
De kinderen werken veel met de handen.
Ze leren maar een klein beetje uit boeken.

4a) Hoe lang duurt het vmbo?
Het vmbo duurt 4 jaar.

5) Voor welke kinderen is het praktijkonderwijs?
Kinderen die leren en lezen echt niet leuk vinden.
Kinderen die leren uit boeken echt moeilijk vinden.
Via het praktijkonderwijs kan je heel snel aan het werk.

6) Wat kun je met een vmbo-opleiding?
Je kunt verder leren op het mbo. Hier leer je een echt vak, een beroep.

7) Vertel iets over het mbo.
– op het mbo leer je een beroep;
– bijvoorbeeld automonteur, kapper, timmerman; werken in een restaurant of werken met computers.

8) Wat is het havo?
– op het havo moet je veel boeken lezen;
– je leert veel theorie (dus niet veel praktijk);
– het havo duurt 5 jaar;
– na het havo kan je naar een hogere opleiding, het hbo.

8a) Wat betekent havo?
Hoger algemeen voortgezet onderwijs.

8b) Wat betekent hbo?
Hoger beroepsonderwijs.

8c) Noem eens voorbeelden van hbo-opleidingen?
– lerarenopleiding;
– verpleegkundige;
– bedrijfseconomie, commerciele economie;
– management, economie en recht.

9) Wat is het vwo?
– hier moet je ook veel boeken lezen en theorie leren;
– het vwo duurt 6 jaar;
– na het vwo kun je naar de universiteit.

9a) Wat betekent vwo?
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.

10) Voor welk beroep moet je bijvoorbeeld naar de universiteit?
Dokter, rechter, advocaat.

11) Hoe moet je als ouder de juiste middelbare school kiezen voor je kind?
De basisschool weet welke middelbare school goed bij je kind past.
In groep 8 (de laatste groep) geven zij een advies.
Ook is er een schoolkeuzegids.

12) Krijgen kinderen in Nederland seksuele voorlichting?
Ja, het is een verplicht vak.
Kinderen leren over het verschil tussen man en vrouw.

13)
Waarvoor zijn er speciale middelbare scholen?
– voor kinderen met een handicap;
– voor kinderen die heel moeilijk kunnen leren;
– voor kinderen die heel moeilijk opvoedbaar zijn.

13a)
Wat is moeilijk opvoedbaar?
Een kind kan moeilijk opvoedbaar zijn als het veel problemen heeft. Een kind kan bijvoorbeeld heel snel heel erg boos zijn, of veel ruzie maken, of veel dingen niet goed begrijpen.
Dit kan moeilijk zijn in het gezin. Een kind kan dan naar het speciaal onderwijs.

Binnenkort volgen er meer vragen en antwoorden over het thema Opvoeding en Onderwijs. We gaan het dan hebben over het vervolgonderwijs, dat is het onderwijs ná de middelbare school.

Hemelvaart

Voor mijn leerlingen!

Gisteren hadden de christelijke Nederlanders Hemelvaartsdag. Ik vond een mooi, kort maar duidelijk filmpje over de Hemelvaartsdag én Pinksteren. Vorig jaar schreef ik iets over Pinksteren, dat 10 dagen na Hemelvaart wordt gevierd. Het filmpje dat je nu hieronder ziet, is gemaakt door de EO-omroep. Dat is een omroep van en voor christenen in Nederland.

Opdracht:
Luister twee keer naar het filmpje. De eerste keer luister en kijk je alleen maar. De tweede keer probeer je dingen op te schrijven, zodat je later nog iets weet over het filmpje.
In de les kunnen we even praten over de Hemelvaartsdag.

Veel plezier en succes!