Hemelvaart

Voor mijn leerlingen!

Gisteren hadden de christelijke Nederlanders Hemelvaartsdag. Ik vond een mooi, kort maar duidelijk filmpje over de Hemelvaartsdag én Pinksteren. Vorig jaar schreef ik iets over Pinksteren, dat 10 dagen na Hemelvaart wordt gevierd. Het filmpje dat je nu hieronder ziet, is gemaakt door de EO-omroep. Dat is een omroep van en voor christenen in Nederland.

Opdracht:
Luister twee keer naar het filmpje. De eerste keer luister en kijk je alleen maar. De tweede keer probeer je dingen op te schrijven, zodat je later nog iets weet over het filmpje.
In de les kunnen we even praten over de Hemelvaartsdag.

Veel plezier en succes!

 

oefenexamen spreken vragen én antwoorden -2

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden.

Het gaat om oefenexamen 3.

1)
Ik woon in het centrum van een grote stad. Waar woont u? Vertel ook hoe u dat vindt.
Ik woon in het centrum van een dorp. Ik vind dat gezellig en rustig.
2)
Met wie eet u meestal samen? Zeg ook waar u het liefst eet.
Ik eet meestal samen met mijn familie. Ik eet het liefst thuis.
3)
Waar heeft u Nederlandse les? Zeg ook hoelang u al les hebt.
Ik heb Nederlandse les in Den Haag. Ik heb al bijna drie jaar les.
4)
Ik heb een nieuwe trui gekocht. Wat hebt u kortgeleden gekocht? Vertel ook waar u dat hebt gekocht.
Ik heb kortgeleden een nieuwe broek (of jurk) gekocht bij de H&M in de stad. (oeps…. beetje sluikreclame ;))
5)
Wat vindt u beter in uw eigen land dan in Nederland? Vertel ook waarom.
Ik vind het weer in mijn eigen land beter, omdat het altijd mooi weer is.
6)
Welke stad zou u graag willen zien. Zeg ook wat u daar wilt doen.
Ik zou graag Parijs willen zien. Daar wil ik dan vrienden bezoeken.
7)
Ik heb op school leren lezen. Wat hebt u op school geleerd. Zeg ook wat u het leukst vond om te leren.
Ik heb op school ook leren lezen. Ik vond schrijven het leukst om te leren.
8)
Ik moet soms ’s nachts werken. Wanneer werkt u het liefst? Vertel ook waarom.
Ik werk het liefst overdag, omdat mijn vrienden ook overdag werken.
9)
Hoevaak leest u de krant? Vertel ook wat u van de krant vindt.
Ik lees elke dag de krant en vind de krant heel interessant.
10)
Wat kunt u goed? Vertel ook van wie u dat geleerd hebt.
Ik kan goed lezen. Dat heb ik van de docent geleerd.
11)
Wat voor eten maakt u het liefst? Vertel ook wat u daarvoor nodig hebt.
Ik maak het liefst pasta. Daarvoor heb ik water, pasta, groente en vlees nodig.
12)
Waarmee speelde u vroeger het liefst. Vertel ook waar.
Ik speelde vroeger het liefst bij mijn vriendin midden in het dorp.

Veel succes met oefenen!

 

oefenexamen spreken vragen én antwoorden

Voor mijn leerlingen!

Op jullie verzoek geef ik hier de vragen van een oefenexamen van de DUO-site mét mogelijke antwoorden.

Het gaat om oefenexamen 2.

1)
Veel nederlanders eten om 18.00u ’s avonds. Wat vindt u daarvan? Zeg ook wanneer u zelf meestal eet.
Ik vind het prima. Ikzelf eet meestal ook om 18.00 uur.
2)
Naar welke muziek luistert u graag? Zeg ook hoe vaak u daar naar luistert.
Ik luister graag naar popmuziek. Ik luister het bijna elke dag.
3)
Ik houd niet van katten. Welk dier vindt u niet leuk? Vertel ook waarom.
Ik houd niet van paarden want ze zijn groot en gevaarlijk.
4)
Ik heb geen rijbewijs. Hebt u een rijbewijs? Vertel ook hoe u dat vindt.
Ik heb ook geen rijbewijs. Ik vind dat jammer en lastig.
5)
Wat gaat u morgen doen? Vertel ook hoe laat u dat gaat doen.
Ik ga morgen naar school om 9.00 uur.
6)
Wat is de mooiste plaats waar u geweest bent? Vertel ook waarom u daar was.
Amsterdam is de mooiste plaats waar ik geweest ben. Ik was daar bij vrienden op bezoek.
7)
Ik werk graag samen met anderen. Hoe werkt u het liefst? Vertel ook waarom.
Ik werk ook graag samen met anderen, omdat ik dat gezellig vind.
8)
Ik ga graag naar het strand. Wat vindt u leuk aan het strand? Vertel ook wat u niet leuk vindt aan het strand.
Ik vind het strand leuk om te ontspannen. Ik vind het strand niet leuk als het koud is.
9)
Wat vindt u van het weer in Nederland? Vertel ook hoe het weer is in uw eigen land.
Het weer in NL vind ik koud en nat. Het weer in mijn eigen land is heet en zonnig.
10)
Ik wandel vaak naar mijn werk. Wat vindt u van wandelen? Vertel ook waarom.
Ik vind wandelen leuk omdat het gezond is.
11)
Wat was er deze week in het nieuws? Zeg ook wat u daarvan vindt. De verkiezingen waren in het nieuws. Ik vind dat interessant.
12)
Ik vind het belangrijk om gezond te eten. Wat vindt u gezond. Vertel ook wat u niet gezond vindt.
Ik vind het gezond om te sporten. Zoet en vet eten vind ik niet gezond.

Veel succes met het oefenen en het examen!!

schrijfopdracht – stuur een e-mail-1

Voor mijn leerlingen!

Hieronder staat een schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.
Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna de e-mail.

Opdracht:
Je hebt vrijdag as. een afspraak bij de gemeente. Je kunt niet komen en wilt de afspraak verzetten naar een andere dag. Schrijf een email aan de gemeente.

– schrijf het e-mailadres van de gemeente in de mail
– schrijf een “betreft” – regel in de mail

– schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste…… / geachte mevrouw, geachte heer…..)

schrijf dat je jouw afspraak op vrijdag as. wilt verzetten naar een andere dag, omdat je niet kunt komen. Vertel waarom je niet kunt komen. Vertel op welke dagen je wel naar een nieuwe afspraak kunt komen.

– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ………..)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw e-mail dan aan mij in de les.

schrijfopdracht – stuur een briefje-1

Voor mijn leerlingen!

Hieronder staat een schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.
Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna het briefje.

Opdracht:
Je dochtertje Badria heeft volgende week een uitje van school. De klas gaat ook samen eten bij de chinees.
Je wilt de juf van school vertellen dat Badria alleen maar vegetarisch of kip mag eten bij de chinees. Badria mag geen andere gerechten nemen, omdat daar varkensvlees in zit.
Schrijf een kort briefje aan de juf van Badria.
1)
– schrijf de aanhef (dus: lieve….. / beste….. / geachte mevrouw, geachte heer……)
2) schrijf de inhoud:
schrijf wat je de juf wilt vertellen (dat staat hierboven bij opdracht!)
3)
– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, …….)

Veel succes! Wil je dat ik het nakijk, geef jouw briefje dan aan mij in de les.

schrijfopdracht – stuur een kaartje-1

Voor mijn leerlingen!

Hieronder staat een schrijfopdracht zoals je deze ook op het examen kunt krijgen.
Hoe was het ook al weer?
Een e-mail, briefje of kaartje bestaat uit drie delen: 1) de aanhef, 2) de inhoud en 3) het slot.
Wil je dit eerst nog weer even herhalen of wil je meer over e-mails, kaartjes en briefjes schrijven leren, kijk dan hier!!

Lees nu eerst de opdracht goed door, schrijf daarna het kaartje.

Opdracht:
Je bent op vakantie in Zweden en stuurt een kaartje naar je moeder en broers/zussen thuis.
1)
– schrijf de aanhef (dus: lieve ….. / beste …… / geachte mevrouw, geachte heer……)
2)
– schrijf wat je van jouw vakantie in Noorwegen vindt. Vertel iets over het weer. Vertel wat je gisteren en vandaag hebt gedaan. Vertel wat je morgen gaat doen.
3)
– schrijf het slot (dus: groetjes / liefs / met vriendelijke groet, ……..)

Geef de gemaakte opdracht aan mij in de les, ik kijk het graag voor je na! Veel succes!

KNM – thema Opvoeding en Onderwijs

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Tekst 1: de kinderopvang.

1) Noem 3 soorten kinderopvang.
– kinderdagverblijf;
– de voorschool;
– de peuterzaal.

2) Wat is een kinderdagverblijf?
Een kinderopvang voor kinderen van 0 – 4 jaar.
Andere naam hiervoor is een crèche.
De volwassenen die op de kinderen passen hebben een diploma.

3) Wat is een voorschool?
Een kinderopvang voor kinderen van 2 – 5 jaar.
Er is extra aandacht voor de Nederlandse taal.

3a) Welke kinderen gaan naar een voorschool?
Buitenlandse kinderen, bijvoorbeeld kinderen van vluchtelingen of kinderen met een migratie-achtergrond.

4) Wat is een peuterspeelzaal?
Een kinderopvang voor kinderen vanaf 2 jaar.
Kinderen gaan hier meestal maar 2 ochtenden naar toe.

5) Wat moet je doen als je kind naar de kinderopvang moet?
Je moet een kinderopvang voor je kind zoeken en het daar inschrijven.

5a) Hoe zoek je een goede kinderopvang?
Op internet, bijvoorbeeld op www.goudengids.nl of op www.detelefoongids.nl, zoek daar bij bedrijven.

5b) Hoe schrijf jij je kind in bij de kinderopvang?
Met een formulier.
Je moet je kind op tijd inschrijven, er zijn vaak wachtlijsten.

6) Wie betaalt de kinderopvang?
Ouders betalen een deel en de belastingdienst betaalt een deel.
Dit heet de kinderopvangtoeslag.

6a) Waar kun je de kinderopvangtoeslag aanvragen?
Via het internet, op de site www.toeslagen.nl.

6b) Waar kun je informatie over de kindervang vinden?
Op het internet: www.kinderopvang.net.

Tekst 2: de basisschool

7) Hoe oud zijn de kinderen die naar de basisschool gaan?
De kinderen zijn 4 – 12 jaar.

7a) Vanaf hoe oud moet een kind naar de basisschool? Vanaf hoe oud is het verplicht?
De basisschool is verplicht voor een kind vanaf 5 jaar.

8) Wat leren de kinderen op de basisschool allemaal?
lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, gymnastiek.

9) Hoeveel groepen heeft een basisschool?
8 groepen: groep 1 en 2 is voor spelen, vanaf groep 3 moeten de kinderen dingen leren.

10) Wie betaalt de basisschool?
De overheid (de staat) betaalt veel.
De ouders moeten zelf ook een klein deel betalen.

10a) Hoe heet het geld dat de ouders aan de basisschool moeten betalen?
De ouderbijdrage.

10b) Waarvoor is de ouderbijdrage?
Voor leuke activiteiten, bijvoorbeeld een schoolreisje, een feest of een kamp.

10c) Is de ouderbijdrage verplicht?
Nee. Het is een vrijwillige bijdrage maar wel erg belangrijk.

11) Wanneer kan je je kind inschrijven voor de basisschool?
Als je kind 2 jaar is.
Het is belangrijk om het snel te doen, er is vaak een wachtlijst.

12) Wat is speciaal onderwijs?
Dit zijn scholen voor gehandicapte kinderen, kinderen met een leerprobleem of met een bedragsprobleem.

13) Wat is bijzonder onderwijs?
Dit zijn scholen die niet door de gemeente worden bestuurd. Bijvoorbeeld christelijk, katholiek, islamitisch of joods onderwijs.

14) Wat is openbaar onderwijs?
Dit zijn scholen die door de overheid, meestal de gemeente, worden bestuurd. Er wordt geen speciale aandacht aan een geloof gegeven.

15) Wat is buitenschoolseopvang?
De BSO. Kinderen kunnen hier na 15.00 uur naar toe, als de ouders allebei werken. Je kunt er ook een toeslag voor krijgen.

Binnenkort volgen er meer vragen en antwoorden over het thema Opvoeding en Onderwijs. We gaan het dan hebben over het voortgezet onderwijs (= de middelbare school).

 

KNM – thema Wonen -2

(c) eenregelperdag.nl

(c) eenregelperdag.nl

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Wonen.

Tekst 3: Gas, water, electra, telefoon en kabel.

1) Wat moet je doen om gas, water en elektriciteit te krijgen?
Je moet je aanmelden bij een energiebedrijf en bij een waterbedrijf.

2) Wat is een ander woord voor electriciteit?
Stroom.

3) Noem en site op internet waar je informatie over energiebedrijven en waterbedrijven kunt vinden.
www.gaslicht.com
www. vergelijk.nl/energie.html

4) Hoe kun je je aanmelden bij een energiebedrijf?
Je kunt je via internet, je vult dan een formulier in.

5) Wat is een maandbedrag? En noem een ander woord voor een maandbedrag.
Een maandbedrag is het bedrag dat je elke maand aan het energiebedrijf moet betalen.
Een ander woord voor een maandbedrag is ook wel een voorschot.

6) Wat staat er in een jaarafrekening?
Hoeveel stroom, gas of water je het afgelopen jaar hebt gebruikt.
Er staat in of je moet bijbetalen. Je hebt dan meer gebruikt dan waarvoor je betaald hebt. Je maandbedrag wordt dan hoger.
Soms heb je minder gebruikt dan waarvoor je hebt betaald. Dan krijg je geld terug. Het maandbedrag wordt dan lager.

7) Hoe kun je een vaste telefoonaansluiting aanvragen?
– op de website van een telefoonaanbieder;
– bellen met een telefoonaanbieder;
– naar de winkel van een telefoonaanbieder gaan.

8) Wat is een kabelaansluiting?
Met een kabelaansluiting kan je TV kijken.
Een kabelaansluiting wordt geregeld door een kabelbedrijf.

9) Noem een aantal kabelbedrijven?
UPC, Essent, Casema, Caiway.

10) Hoe regel je een kabelaansluiting?
– Je kunt op de site van een kabelbedrijf een formulier invullen.
– Je kunt bellen met een kabelbedrijf.
– Je kunt naar een winkel van een kabelbedrijf in de buurt gaan.

11) Wat kan je met een kabelaansluiting?
– je kunt TV kijken;
– je kunt op internet;
– je kunt een vaste telefoon gebruiken.f

Tekst 4: Zuinig en veilig met energie en water.

12. Geef 3 tips om zuinig met energie en water te zijn.
1. zet de verwarming laag en doe een trui aan;
2. neem geen bad maar ga onder de douche, douche kort;
3. zet de verwarming laag als je niet thuis bent.

13. Hoe doe je veilig met energie? Noem 3 tips.
1. laat je verwarming, kachel of geiser 1x per jaar controleren;
2. zorg voor frisse lucht in huis, of koop een gasmelder. Die zegt wanneer er teveel gas in huis is;
3. lees altijd de gebruiksaanwijzing van elektrische apparaten.

Tekst 5: Storing!

14. Wat is storing?
Storing betekent dat er iets kapot is, bijvoorbeeld de TV of de lampen in huis.

15. Wat kun je doen als er een gewone storing is?
1. als je het begrijpt, zelf oplossen;
2. soms kan je even wachten, misschien gaat het over;
3. als het lang duurt, bel je een monteur.

16. Wat is een stroomstoring?
De lampen, TV of straatverlichting doet het niet;
Soms heeft een hele stad stroomstoring, soms heb jij alleen stroomstoring.

17. Wat doe je als er een stroomstoring is?
1. kijk in de meterkast, misschien is er een stop (zekering) kapot;
2. heeft de hele buurt of stad geen TV, telefoon of stroom, wacht dan af en doe niets;
3. je kunt het nationale nummer voor storingen van gas en stroom bellen: 0800-9009.

18. Wat doe je als je gas in huis ruikt?
1. draai direkt de hoofdkraan dicht;
2. doe de ramen open;
3. gebruik geen vuur, apparaten en doe geen licht aan;
4. bel 0800-9009.

Tekst 6: Verzekeringen

19. Hoe heet het geld, dat je elk jaar of halfjaar aan de verzekering betaald?
Dat is de verzekeringspremie.

20. Wat is een opstalverzekering?
Dat is een verzekering voor je koophuis en andere gebouwen die van jou zelf zijn.

20a. Welke schade betaalt de opstalverzekering aan jou?
Schade door brand, storm of overstroming.

21. Wat is een inboedelverzekering?
Een verzekering voor de spullen/dingen in jouw huis.

21a. Welke schade betaalt de inboedelverzekering?
Schade door brand of inbraak.

22. Wat is een aansprakelijkheidsverzekering?
Een verzekering die de spullen betaalt, die jij per ongeluk hebt stuk gemaakt. De spullen zijn van iemand anders.

23. Wat doe je als je schade hebt?
Je moet de schade melden.

24. Wat doe je bij schade melden?
– je vertelt aan de verzekering wat er is gebeurd;
– je vertelt wat er kapot is of wat er weg is;
– je vult een formulier in.

Tekst 7: de woonomgeving.

25. Wat is afval inzamelen?
– de gemeente komt met een afvalwagen jouw afval ophalen;
– dit gebeurt op vaste dagen;
– je moet jouw eigen afval dan buiten zetten;
– in de grote stad kan je jouw afval soms in een grote container gooien.

26. Wat is afval scheiden?
Verschillende soorten afval in verschillende bakken doen.

27. Welke verschillende containers voor afval zijn er?
– er is een groene container voor GFT afval;
– er is een blauwe container voor papier;
– er is een grijze container voor alle overige afval.

27a. Hoe noemen we alle overige afval?
Restafval.

27b. Wat betekent GFT?
Groente Fruit en Tuinafval.

28. Welke containers staan er meestal in een buurt voor meerdere mensen?
– glascontainer;
– container voor plastic;
– containers voor oud papier en textiel (=oude kleding).

29. Wat is KCA afval?
Klein Chemisch Afval.

29a. Geef eens een voorbeeld van KCA?
Batterijen en verf.

30. Wat is grofvuil?
Het is afval dat niet in een container past. Het is groot, bijvoorbeeld een bankstel, een tafel, een TV, een stoel.

30a. Wat doe je als je grofvuil hebt?
Je kunt de gemeente bellen en vragen of zij het op willen halen;
Je kunt het zelf naar de gemeente brengen.

31. Nederlanders vinden schoon zijn heel belangrijk.
Geef eens 5 voorbeelden van wat je moet doen om schoon te zijn.
1. ramen wassen;2. in jouw tuin het gras maaien;
3. onkruid in jouw tuin weghalen;
4. geen rommel op straat gooien;
5. kozijnen en muren in je huis schilderen of schoonmaken.

dag, maand, jaar

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd. Dit keer gaat het over dagen, maanden en jaren.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt. Kijk goed naar de plaats van een woord in de zin.

1. Hoeveel maanden heeft één jaar?
Één jaar heeft 12 maanden.

2. En hoeveel weken heeft één jaar?
Één jaar heeft 52 weken.

3. Hoeveel dagen heeft een jaar?
Een jaar heeft 365 dagen.

4. Hoeveel dagen heeft een week?
Een week heeft 7 dagen.

5. Hoeveel dagen heeft een maand?
Een maand heeft 28 of 30 of 31 dagen.

6. Welke maand heeft 28 dagen?
Februari heeft 28 dagen.

7 Hoeveel uren gaan er in een dag?
Er gaan 12 uren in een dag.

8. En hoeveel uren gaan er in een nacht?
Er gaan ook 12 uren in een nacht.

9. En hoeveel uren gaan er in een etmaal?
In een etmaal gaan 24 uren.

10. Hoeveel minuten heeft een uur?
Een uur heeft 60 minuten.

11. Welke maand is de eerste maand in het jaar?
Januari is de eerste maand in het jaar.
De eerste maand in het jaar is januari.

12. In welke maanden is het winter?
In de maanden december, januari en februari is het winter.
Het is winter in de maanden december, januari en februari.

13. Is de winter in Nederland koud?
Ja, de winter in Nederland is koud.

14. Is de winter in Eritrea koud?
Nee, de winter in Eritrea is warm!

15. In welke maand begint de lente?
De lente begint in de maand maart.

16. En in welke maanden is het lente in Nederland?
In Nederland is het lente in de maanden maart, april en mei.

17. Is de lente warm in Afrika?
Ja, de lente in Afrika is heel warm.

18. Wanneer begint de zomer in Nederland?
In Nederland begint de zomer in de maand juni.

19. In welke maanden is het zomer in Nederland?
In Nederland is het zomer in de maanden juni, juli en augustus.

20. Is de zomer in Nederland warm?
Ja, de zomer in Nederland is erg warm.

21. Wanneer begint de herfst in Nederland?
In Nederland begint de herfst in september.

22. In welke maanden is het herfst?
Het is herfst in de maanden september, oktober en november.

23. Regent het vaak in de herfst?
Ja, in de herfst regent het heel vaak.

24. Staat er veel wind op een herfstdag?
Ja, er staat veel wind op een dag in de herfst. (een herfstdag = een dag in de herfst).

25. In welke maanden gaan de mensen in Nederland op vakantie?
In Nederland gaan de mensen op vakantie in de maanden juli en augustus.

praten over tijd

"de tijd vliegt" (c)inleerinbeelden.nl

(c) ikleerinbeelden.nl

Voor mijn leerlingen.

Goed Nederlands praten betekent veel oefenen!
Hieronder staan een heleboel vragen mét antwoorden.  Alle vragen gaan over tijd.
Let goed op de volgorde van de woorden in de vragen én antwoorden. Kijk welke woorden uit een vraag jezelf opnieuw kunt gebruiken in het antwoord. De woorden die je opnieuw kunt gebruiken, zijn vet gedrukt.

1. Hoe laat is het?
Het is 9 uur / 12 uur / 3 uur na de middag / 8 uur ’s avonds / 12 uur ’s nachts.

2. Hoe laat begint de ochtend?
De ochtend begint om 6 uur. (=06.00 uur)

3. Hoe laat begint de middag?
De middag begint om 12 uur.

4. Hoe laat begint de avond?
De avond begint om ongeveer 6 uur. (=18.00 uur)

5. Hoe laat begint de nacht?
De nacht begint om 12 uur (=24.00 uur)

6. Kijk jij TV?
Ja, ik kijk soms TV.

7. Hoe laat kijk jij TV?
Ik kijk soms om 4 uur ’s middags TV (=16.00 uur)
Ik kijk soms om 8 uur ’s avonds TV (=20.00 uur)

8. Hoe laat is het nieuws in Nederland op TV?
Het nieuws is om 6 uur of 8 uur ’s avonds op TV (=18.00 uur en 20.00 uur).

9. Kijk jij ook ’s avonds naar het nieuws?
Ja, ik kijk elke avond naar het nieuws.

10. Hoe laat ga jij naar bed?
Ik ga om ongeveer 11 uur naar bed (=23.00 uur).

11. En hoe laat ga jij in het weekend naar bed?
In het weekend ga ik later naar bed.
In het weekend ga ik
pas om 12 uur naar bed. (=24.00 uur)

12. Slaapt iedereen ’s nachts?
Nee, niet iedereen slaapt ’s nachts.
Ja, bijna iedereen slaapt ’s nachts.

13. Wie slapen niet ’s nachts?
Mensen die ’s nachts werken, slapen niet.

14. Werk jij ’s nachts?
Nee, ik werk overdag.

15. Hoe laat is het ’s avonds donker in de zomer?
In de zomer is het ’s avonds om ongeveer 10 uur donker. (=22.00 uur)

16. Hoe laat is het ’s avonds donker in de winter?
In de winter is het ’s avonds om ongeveer 5 uur donker (=17.00 uur).

17. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de zomer?
In de zomer wordt het ’s ochtends om 5 uur licht.

18. Hoe laat wordt het ’s ochtends licht in de winter?
In de winter wordt het ’s ochtends om half 9 licht. (=08.30 uur)

19. Kijk jij ’s ochtends TV?
Nee, ’s ochtends kijk ik geen TV.
Nee, ’s ochtends werk ik.