advent

Voor mijn leerlingen!

Advent is begonnen. Vandaag is het de eerste advent, zoals de christelijke Nederlanders dat noemen. De adventstijd begint altijd op een zondag en heeft vier adventszondagen. Het zijn de vier zondagen voor de kerst. Zoals jullie weten is kerst altijd op vaste data: op 25&26 december. De vier zondagen voor de kerst van dit jaar zijn dus 3, 10, 17 en 24 december. Kijk maar even mee op de kalender.
Met de adventstijd bereiden christenen zich voor op het kerstfeest, waarmee de komst van Jezus Christus wordt gevierd. Advent komt van “adventus”, dat ook komst betekent. In de adventstijd zijn christenen dus al bezig met deze komst van christus. Hier kan je wat meer over advent lezen.

In Nederland merk je eigenlijk niet zoveel van de adventstijd, wanneer je gewoon in de Nederlandse huizen of op straat komt. In bijvoorbeeld ons buurland Duitsland is dat anders. Daar worden met de start van de adventstijd overal de kerstmarkten geopend en in de Duitse huizen vind je overal tekenen van advent, zoals adventskransen of allerlei decoratie met vier kaarsen of lichtjes. Ook wenst men elkaar in de winkels en bij ontmoetingen heel nadrukkelijk een goede eerste, tweede, derde of vierde advent. Iets wat wij in Nederland niet kennen. Verder is er tegenwoordig weer een groots muziekprogramma op de Duitse tv met advent. Er worden dan voornamelijk Duitstalige liedjes gezongen.

Ik vind het een mooie gewoonte om de advent een beetje nadrukkelijk te “vieren”. Eigenlijk ben ik wel jaloers op deze Duitse traditie. Daarom maak is mijn huis ook graag een beetje in de sfeer van advent!

Advertenties

KNM – thema opvoeding en onderwijs -4

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Teksten 1, 2 en 3 over kinderen en verantwoordelijkheid

1) Wat is verantwoordelijkheid?
Je bent verantwoordelijk of je hebt verantwoordelijkheid als je goed voor iets of iemand moet zorgen.
Bijvoorbeeld ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen.

2) Wat is aansprakelijkheid?
Je bent dan verantwoordelijk voor wat er gebeurt en je kunt aangesproken worden om voor de betaling te zorgen.
Bijvoorbeeld als je kind een raam stuk maakt bij de buren. Het raam wordt dan weer gemaakt door de schilder. Jij moet dan de rekening van de schilder voor de buren betalen.

3a) Tot welke leeftijd zijn de ouders altijd aansprakelijk voor hun kinderen?
Voor de kinderen van 0 tot 14 jaar.

3b) Tot welke leeftijd zijn de kinderen zelf aansprakelijk, maar soms ook de ouders?
Voor de kinderen van 14 tot 18 jaar.

3c)
Op welke leeftijd is een kind zelf aansprakelijk voor de dingen die hij/zij doet?
Vanaf 18 jaar.
Als een kind van ouder dan 18 iets stuk maakt, moet hij/zij zelf de schade betalen.
Als een kind van ouder dan 18 jaar schulden maakt, moet hij/zij deze schulden zelf betalen!

4) Opvoeden van kinderen is best moeilijk. Waar kan je hulp vragen bij het opvoeden van je kind, als je het alleen niet meer weet?
De huisarts: je kunt met de huisarts over een probleem praten.
Bureau Jeugdzorg: je kunt hier grote en kleine problemen bij de opvoeding van je kind bespreken. Bureau Jeugdzorg kan je dan helpen het probleem op te lossen.
Het Ouder- en Kind Centrum (OKC): Het OKC geeft informatie over opvoeden. Het geeft ook cursussen waarmee je leert om kinderen beter op te voeden.

5a) Ouders in Nederland moeten betrokken zijn bij hun kind op school. Wat is dat?
Dat betekent dat ouders meedoen en weten wat er op school met het kind gebeurt.

5b) Hoe kan je in Nederland betrokken zijn bij de school van je kind?
Je gaat naar de gespreksavonden op school. Je spreekt daar de docent/leraar van je kind.
Je hoort of het goed gaat met je kind óf dat er misschien problemen zijn.

6a) Wat is een ouderavond?
Op school zijn er een paar maal per jaar ouderavonden.
Je krijgt op deze avonden informatie over verschillende dingen en je kunt vragen stellen.

6b) Over welke onderwerpen kan je op een ouderavond informatie krijgen?
Over pesten, internet voor het kind, wat te doen bij een probleem met het opvoeden.

7) Bij welke dingen kan je als ouder helpen op school?
Bij lezen en voorlezen, knutselen (is leuke dingen maken), Sinterklaas, schoolreisje of excursie.

Binnenkort komen er nog meer vragen met antwoorden. Dan gaat het over het thema “instanties”, zoals bijvoorbeeld de politie, de gemeente of de belastingdienst.
Veel succes alvast bij het leren voor KNM of Kennis Nederlandse Maatschappij.

KNM – thema opvoeding en onderwijs-3

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Tekst 1&2 over vervolgonderwijs

1) Hoe oud ben je meestal aan het eind van de middelbare school?
16, 17 of 18  jaar.

2a) Wat kan je doen met een diploma van de middelbare school?
Je kan naar het vervolgonderwijs.

2b) Noem eens 3 soorten vervolgonderwijs.
mbo, hbo en universiteit.

3a) Vertel iets over het mbo.
Het mbo duurt 4 jaar.
Je leert veel praktijk en minder theorie.
Je leert een echt beroep.

3b) Noem een aantal beroepen dat je kan worden op het  mbo.
buschauffeur, kok, kapper, administratief medewerker.

3c) Waar kan je een mbo-opleiding volgen?
Aan een ROC. (= Regionaal OpleidingsCentrum)

4a) Vertel iets over het  hbo.
Het hbo duurt 4 jaar.
Je leert een beetje praktijk en meer theorie.

4b) Noem een aantal beroepen dat je kan worden op het  hbo.
verpleegkundige, fysiotherapeut, leraar, manager, journalist.

4c) Waar kan je een hbo-opleiding volgen?
Op een hogeschool. Er zijn ongeveer 40 hogescholen in Nederland.

4d) Met welk diploma kan je naar het hbo?
Met een havo-diploma of met een  mbo-diploma.

5a) Vertel iets over de universiteit.
De opleidingen zijn wetenschappelijk.
Dat betekent er is veel theorie en weinig praktijk.
De studie aan de universiteit duurt meestal 4, 5 of 6 jaar.

5b) Welke beroepen kan je worden met een universitaire opleiding?
arts, advocaat, tandarts, rechter.

5c) Hoeveel universiteiten zijn er in Nederland en kan je ook een paar steden noemen waar een universiteit is?
Er zijn ongeveer 10 universiteiten in Nederland, bijvoorbeeld in Leiden, Amsterdam, Groningen, Utrecht, Nijmegen.

6) Hoe kun je je inschrijven voor een vervolgopleiding?
Voor het mbo: bij een ROC.
Voor het hbo of universiteit: bij DUO (http: www.duo.nl)

7a) Wat is studiefinanciering?
Geld dat je van de overheid/staat krijgt om je vervolgopleiding mee te betalen.

7b) Voor welke opleidingen krijg je studiefinanciering?
Voor de universiteit, het hbo of het mbo (als je 18 jaar of ouder bent).

7c) Welke instantie regelt de studiefinanciering?
Het DUO.

8) Kunt je ook studeren als je volwassen bent? Wat kan je erover vertellen?
Ja, je kunt dan ook studeren. Het is wel vaak duurder. Ook zijn er andere regels voor toelating.

Binnenkort volgen er meer vragen en antwoorden over het thema Opvoeding en Onderwijs. We gaan het dan hebben over de opvoeding van kinderen.

KNM – thema opvoeding en onderwijs-2

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Tekst 3: het voortgezet onderwijs

1) Hoeveel soorten voortgezet onderwijs zijn er in Nederland?
4 soorten:
– het praktijkonderwijs;
– het vmbo;
– het havo;
– het vwo.

2) Hoe noemen we in Nederland het voortgezet onderwijs ook nog steeds?
De middelbare school.

3) Hoe oud zijn de kinderen als ze naar de middelbare school of het voortgezet onderwijs gaan?
De kinderen zijn dan 12 jaar.

4) Wat is een vmbo?
Het vmbo doet veel aan praktijk.
De kinderen werken veel met de handen.
Ze leren maar een klein beetje uit boeken.

4a) Hoe lang duurt het vmbo?
Het vmbo duurt 4 jaar.

5) Voor welke kinderen is het praktijkonderwijs?
Kinderen die leren en lezen echt niet leuk vinden.
Kinderen die leren uit boeken echt moeilijk vinden.
Via het praktijkonderwijs kan je heel snel aan het werk.

6) Wat kun je met een vmbo-opleiding?
Je kunt verder leren op het mbo. Hier leer je een echt vak, een beroep.

7) Vertel iets over het mbo.
– op het mbo leer je een beroep;
– bijvoorbeeld automonteur, kapper, timmerman; werken in een restaurant of werken met computers.

8) Wat is het havo?
– op het havo moet je veel boeken lezen;
– je leert veel theorie (dus niet veel praktijk);
– het havo duurt 5 jaar;
– na het havo kan je naar een hogere opleiding, het hbo.

8a) Wat betekent havo?
Hoger algemeen voortgezet onderwijs.

8b) Wat betekent hbo?
Hoger beroepsonderwijs.

8c) Noem eens voorbeelden van hbo-opleidingen?
– lerarenopleiding;
– verpleegkundige;
– bedrijfseconomie, commerciele economie;
– management, economie en recht.

9) Wat is het vwo?
– hier moet je ook veel boeken lezen en theorie leren;
– het vwo duurt 6 jaar;
– na het vwo kun je naar de universiteit.

9a) Wat betekent vwo?
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.

10) Voor welk beroep moet je bijvoorbeeld naar de universiteit?
Dokter, rechter, advocaat.

11) Hoe moet je als ouder de juiste middelbare school kiezen voor je kind?
De basisschool weet welke middelbare school goed bij je kind past.
In groep 8 (de laatste groep) geven zij een advies.
Ook is er een schoolkeuzegids.

12) Krijgen kinderen in Nederland seksuele voorlichting?
Ja, het is een verplicht vak.
Kinderen leren over het verschil tussen man en vrouw.

13)
Waarvoor zijn er speciale middelbare scholen?
– voor kinderen met een handicap;
– voor kinderen die heel moeilijk kunnen leren;
– voor kinderen die heel moeilijk opvoedbaar zijn.

13a)
Wat is moeilijk opvoedbaar?
Een kind kan moeilijk opvoedbaar zijn als het veel problemen heeft. Een kind kan bijvoorbeeld heel snel heel erg boos zijn, of veel ruzie maken, of veel dingen niet goed begrijpen.
Dit kan moeilijk zijn in het gezin. Een kind kan dan naar het speciaal onderwijs.

Binnenkort volgen er meer vragen en antwoorden over het thema Opvoeding en Onderwijs. We gaan het dan hebben over het vervolgonderwijs, dat is het onderwijs ná de middelbare school.

Hemelvaart

Voor mijn leerlingen!

Gisteren hadden de christelijke Nederlanders Hemelvaartsdag. Ik vond een mooi, kort maar duidelijk filmpje over de Hemelvaartsdag én Pinksteren. Vorig jaar schreef ik iets over Pinksteren, dat 10 dagen na Hemelvaart wordt gevierd. Het filmpje dat je nu hieronder ziet, is gemaakt door de EO-omroep. Dat is een omroep van en voor christenen in Nederland.

Opdracht:
Luister twee keer naar het filmpje. De eerste keer luister en kijk je alleen maar. De tweede keer probeer je dingen op te schrijven, zodat je later nog iets weet over het filmpje.
In de les kunnen we even praten over de Hemelvaartsdag.

Veel plezier en succes!

 

woensdag 15 maart; STEMMEN

Vandaag is het dan zover: NL stemt! En mijn linkse hart – …. altijd gehad, eens uit een rood nest, altijd uit een rood nest! – stemt vandaag:
PvdA_Asscher
Juist, Lodwijk Asscher, Partij van de Arbeid! Niet bepaald populair momenteel en slecht in de peilingen, maar zó nodig!
En dan wel, dit keer, helemáál over links en niet weer in een spagaat met die enge, gladde, rechtse VVD die steeds meer een PVVD wordt! Vooral als de verkiezingen naderen. Hoogstens een beetje centrum erbij en we worden hopelijk eindelijk eens weer sociaal in dit land. Ik verlang daar naar!

SOCIAAL en LINKS,
dat betekent,
dat we weer aan onze medemens denken, die het misschien niet zo breed heeft!
dat iedereen erbij hoort of je nou Jood, christen, moslim, Hindoe, niks of wat anders bent!
dat we weer eens een fikse partij gaan nivelleren, want dat is niet alleen voor Spekman een feestje!
dat we door dat nivelleren eindelijk het verschil tussen arm en rijk eens weer écht kleiner maken! En dat wordt hoog tijd!
dat er weer een andere wind waait door NL, geen ge-ikke-ikke-ikke meer, maar samen-samen-samen! Ons land schreeuwt om samen-samen-samen, maar we zijn door het populistisch geschreeuw vergeten wie dat samen ook al weer hoog in het vaandel heeft! Juist, die linkse sociaal-democraten dus!

Ik hoop dat NL vandaag nadenkt en wakker wordt, zodat we geen Trumpiaanse toestanden krijgen en ook niet nog eens een keer onder het rechtse, ikke-ikke-ikke, VVD-juk moeten zuchten. Ik hoop dat NL vandaag nadenkt en wakker wordt en het populisme niet laat zegevieren!!!!

KNM – thema Opvoeding en Onderwijs

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Opvoeding en Onderwijs.

Tekst 1: de kinderopvang.

1) Noem 3 soorten kinderopvang.
– kinderdagverblijf;
– de voorschool;
– de peuterzaal.

2) Wat is een kinderdagverblijf?
Een kinderopvang voor kinderen van 0 – 4 jaar.
Andere naam hiervoor is een crèche.
De volwassenen die op de kinderen passen hebben een diploma.

3) Wat is een voorschool?
Een kinderopvang voor kinderen van 2 – 5 jaar.
Er is extra aandacht voor de Nederlandse taal.

3a) Welke kinderen gaan naar een voorschool?
Buitenlandse kinderen, bijvoorbeeld kinderen van vluchtelingen of kinderen met een migratie-achtergrond.

4) Wat is een peuterspeelzaal?
Een kinderopvang voor kinderen vanaf 2 jaar.
Kinderen gaan hier meestal maar 2 ochtenden naar toe.

5) Wat moet je doen als je kind naar de kinderopvang moet?
Je moet een kinderopvang voor je kind zoeken en het daar inschrijven.

5a) Hoe zoek je een goede kinderopvang?
Op internet, bijvoorbeeld op www.goudengids.nl of op www.detelefoongids.nl, zoek daar bij bedrijven.

5b) Hoe schrijf jij je kind in bij de kinderopvang?
Met een formulier.
Je moet je kind op tijd inschrijven, er zijn vaak wachtlijsten.

6) Wie betaalt de kinderopvang?
Ouders betalen een deel en de belastingdienst betaalt een deel.
Dit heet de kinderopvangtoeslag.

6a) Waar kun je de kinderopvangtoeslag aanvragen?
Via het internet, op de site www.toeslagen.nl.

6b) Waar kun je informatie over de kindervang vinden?
Op het internet: www.kinderopvang.net.

Tekst 2: de basisschool

7) Hoe oud zijn de kinderen die naar de basisschool gaan?
De kinderen zijn 4 – 12 jaar.

7a) Vanaf hoe oud moet een kind naar de basisschool? Vanaf hoe oud is het verplicht?
De basisschool is verplicht voor een kind vanaf 5 jaar.

8) Wat leren de kinderen op de basisschool allemaal?
lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, gymnastiek.

9) Hoeveel groepen heeft een basisschool?
8 groepen: groep 1 en 2 is voor spelen, vanaf groep 3 moeten de kinderen dingen leren.

10) Wie betaalt de basisschool?
De overheid (de staat) betaalt veel.
De ouders moeten zelf ook een klein deel betalen.

10a) Hoe heet het geld dat de ouders aan de basisschool moeten betalen?
De ouderbijdrage.

10b) Waarvoor is de ouderbijdrage?
Voor leuke activiteiten, bijvoorbeeld een schoolreisje, een feest of een kamp.

10c) Is de ouderbijdrage verplicht?
Nee. Het is een vrijwillige bijdrage maar wel erg belangrijk.

11) Wanneer kan je je kind inschrijven voor de basisschool?
Als je kind 2 jaar is.
Het is belangrijk om het snel te doen, er is vaak een wachtlijst.

12) Wat is speciaal onderwijs?
Dit zijn scholen voor gehandicapte kinderen, kinderen met een leerprobleem of met een bedragsprobleem.

13) Wat is bijzonder onderwijs?
Dit zijn scholen die niet door de gemeente worden bestuurd. Bijvoorbeeld christelijk, katholiek, islamitisch of joods onderwijs.

14) Wat is openbaar onderwijs?
Dit zijn scholen die door de overheid, meestal de gemeente, worden bestuurd. Er wordt geen speciale aandacht aan een geloof gegeven.

15) Wat is buitenschoolseopvang?
De BSO. Kinderen kunnen hier na 15.00 uur naar toe, als de ouders allebei werken. Je kunt er ook een toeslag voor krijgen.

Binnenkort volgen er meer vragen en antwoorden over het thema Opvoeding en Onderwijs. We gaan het dan hebben over het voortgezet onderwijs (= de middelbare school).

 

KNM – thema Wonen -2

(c) eenregelperdag.nl

(c) eenregelperdag.nl

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Wonen.

Tekst 3: Gas, water, electra, telefoon en kabel.

1) Wat moet je doen om gas, water en elektriciteit te krijgen?
Je moet je aanmelden bij een energiebedrijf en bij een waterbedrijf.

2) Wat is een ander woord voor electriciteit?
Stroom.

3) Noem en site op internet waar je informatie over energiebedrijven en waterbedrijven kunt vinden.
www.gaslicht.com
www. vergelijk.nl/energie.html

4) Hoe kun je je aanmelden bij een energiebedrijf?
Je kunt je via internet, je vult dan een formulier in.

5) Wat is een maandbedrag? En noem een ander woord voor een maandbedrag.
Een maandbedrag is het bedrag dat je elke maand aan het energiebedrijf moet betalen.
Een ander woord voor een maandbedrag is ook wel een voorschot.

6) Wat staat er in een jaarafrekening?
Hoeveel stroom, gas of water je het afgelopen jaar hebt gebruikt.
Er staat in of je moet bijbetalen. Je hebt dan meer gebruikt dan waarvoor je betaald hebt. Je maandbedrag wordt dan hoger.
Soms heb je minder gebruikt dan waarvoor je hebt betaald. Dan krijg je geld terug. Het maandbedrag wordt dan lager.

7) Hoe kun je een vaste telefoonaansluiting aanvragen?
– op de website van een telefoonaanbieder;
– bellen met een telefoonaanbieder;
– naar de winkel van een telefoonaanbieder gaan.

8) Wat is een kabelaansluiting?
Met een kabelaansluiting kan je TV kijken.
Een kabelaansluiting wordt geregeld door een kabelbedrijf.

9) Noem een aantal kabelbedrijven?
UPC, Essent, Casema, Caiway.

10) Hoe regel je een kabelaansluiting?
– Je kunt op de site van een kabelbedrijf een formulier invullen.
– Je kunt bellen met een kabelbedrijf.
– Je kunt naar een winkel van een kabelbedrijf in de buurt gaan.

11) Wat kan je met een kabelaansluiting?
– je kunt TV kijken;
– je kunt op internet;
– je kunt een vaste telefoon gebruiken.f

Tekst 4: Zuinig en veilig met energie en water.

12. Geef 3 tips om zuinig met energie en water te zijn.
1. zet de verwarming laag en doe een trui aan;
2. neem geen bad maar ga onder de douche, douche kort;
3. zet de verwarming laag als je niet thuis bent.

13. Hoe doe je veilig met energie? Noem 3 tips.
1. laat je verwarming, kachel of geiser 1x per jaar controleren;
2. zorg voor frisse lucht in huis, of koop een gasmelder. Die zegt wanneer er teveel gas in huis is;
3. lees altijd de gebruiksaanwijzing van elektrische apparaten.

Tekst 5: Storing!

14. Wat is storing?
Storing betekent dat er iets kapot is, bijvoorbeeld de TV of de lampen in huis.

15. Wat kun je doen als er een gewone storing is?
1. als je het begrijpt, zelf oplossen;
2. soms kan je even wachten, misschien gaat het over;
3. als het lang duurt, bel je een monteur.

16. Wat is een stroomstoring?
De lampen, TV of straatverlichting doet het niet;
Soms heeft een hele stad stroomstoring, soms heb jij alleen stroomstoring.

17. Wat doe je als er een stroomstoring is?
1. kijk in de meterkast, misschien is er een stop (zekering) kapot;
2. heeft de hele buurt of stad geen TV, telefoon of stroom, wacht dan af en doe niets;
3. je kunt het nationale nummer voor storingen van gas en stroom bellen: 0800-9009.

18. Wat doe je als je gas in huis ruikt?
1. draai direkt de hoofdkraan dicht;
2. doe de ramen open;
3. gebruik geen vuur, apparaten en doe geen licht aan;
4. bel 0800-9009.

Tekst 6: Verzekeringen

19. Hoe heet het geld, dat je elk jaar of halfjaar aan de verzekering betaald?
Dat is de verzekeringspremie.

20. Wat is een opstalverzekering?
Dat is een verzekering voor je koophuis en andere gebouwen die van jou zelf zijn.

20a. Welke schade betaalt de opstalverzekering aan jou?
Schade door brand, storm of overstroming.

21. Wat is een inboedelverzekering?
Een verzekering voor de spullen/dingen in jouw huis.

21a. Welke schade betaalt de inboedelverzekering?
Schade door brand of inbraak.

22. Wat is een aansprakelijkheidsverzekering?
Een verzekering die de spullen betaalt, die jij per ongeluk hebt stuk gemaakt. De spullen zijn van iemand anders.

23. Wat doe je als je schade hebt?
Je moet de schade melden.

24. Wat doe je bij schade melden?
– je vertelt aan de verzekering wat er is gebeurd;
– je vertelt wat er kapot is of wat er weg is;
– je vult een formulier in.

Tekst 7: de woonomgeving.

25. Wat is afval inzamelen?
– de gemeente komt met een afvalwagen jouw afval ophalen;
– dit gebeurt op vaste dagen;
– je moet jouw eigen afval dan buiten zetten;
– in de grote stad kan je jouw afval soms in een grote container gooien.

26. Wat is afval scheiden?
Verschillende soorten afval in verschillende bakken doen.

27. Welke verschillende containers voor afval zijn er?
– er is een groene container voor GFT afval;
– er is een blauwe container voor papier;
– er is een grijze container voor alle overige afval.

27a. Hoe noemen we alle overige afval?
Restafval.

27b. Wat betekent GFT?
Groente Fruit en Tuinafval.

28. Welke containers staan er meestal in een buurt voor meerdere mensen?
– glascontainer;
– container voor plastic;
– containers voor oud papier en textiel (=oude kleding).

29. Wat is KCA afval?
Klein Chemisch Afval.

29a. Geef eens een voorbeeld van KCA?
Batterijen en verf.

30. Wat is grofvuil?
Het is afval dat niet in een container past. Het is groot, bijvoorbeeld een bankstel, een tafel, een TV, een stoel.

30a. Wat doe je als je grofvuil hebt?
Je kunt de gemeente bellen en vragen of zij het op willen halen;
Je kunt het zelf naar de gemeente brengen.

31. Nederlanders vinden schoon zijn heel belangrijk.
Geef eens 5 voorbeelden van wat je moet doen om schoon te zijn.
1. ramen wassen;2. in jouw tuin het gras maaien;
3. onkruid in jouw tuin weghalen;
4. geen rommel op straat gooien;
5. kozijnen en muren in je huis schilderen of schoonmaken.

KNM – thema Wonen

(c) eenregelperdag.nl

(c) eenregelperdag.nl

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren goed te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Wonen.

Tekst 1: Een huis huren

1) Wat moet je doen als je een huis wilt huren in Nederland?
Je moet je inschrijven bij de Woningbouwvereniging.

2)
Wat is een woningbouwvereniging?
Het is een organisatie / bedrijf dat woningen heeft en deze woningen verhuurt. Je kunt je inschrijven bij de woningbouwvereniging en dan een huis gaan zoeken.

3) Op welke manier / Hoe kan je kijken bij de woningbouwvereniging welke huizen er te huur zijn?
– Je kunt kijken in een gratis woonkrant van de woningbouwvereniging
– Je kunt kijken in de krant van jouw stad of streek. Hierin staan advertenties van de woningbouwvereniging. In zo’n advertentie staan de huizen die je kunt huren
– Je kunt zoeken op internet. Op de site van de woningbouwvereniging.

4) Wat zijn woonwensen?
Dit zijn dingen die jij belangrijk vindt voor je eigen huis.

5) Noem eens 4 woonwensen?
– De hoogte van de huur;
– huis dicht bij school of treinstation;
– huis moet 3 of 4 kamers hebben (groot / klein huis);
– huis moet in een rustige buurt staan.

6) Wat doe je als je een geschikt / mooi / goed huis vindt?
Je moet reageren op het huis. Je kunt dit doen door te bellen naar de woningbouwvereniging. Of je kunt reageren via de website.
Ook kun je soms een bon (formulier uit de krant) invullen.

7) Wat is huurtoeslag?
Huurtoeslag is geld dat je krijgt, wanneer je zelf de huur niet kunt betalen.
Je moet het geld gebruiken voor de huur.
Je krijgt het geld van de belastingdienst.
Huurtoeslag kun je aanvragen via de site www.toeslagen.nl

Tekst 2: Een huis kopen of verkopen.

1) Wat moet je doen als je een huis wilt kopen?
Je vraagt hulp bij de bank, de makelaar en de notaris.
Meestal moet je een hypotheek nemen bij de bank, zodat je het huis kunt kopen.

2) Wat is een hypotheek?
Een hypotheek is geld dat je van de bank krijgt.
Je leent het geld van de bank. Je moet het dus altijd terugbetalen. Ook moet je er een extra bedrag aan rente over betalen.

3) Wie kan je helpen bij een hypotheek?
De bank.
De hypotheekadviseur.

4) Hoe kun je een koophuis zoeken?
Via de site: www.funda.nl;
Via een makelaar, hij of zij kan je helpen zoeken.

Tot zover de vragen en antwoorden over “wonen” in Nederland en “wonen” als thema bij het examen KNM van de Inburgering.

Binnenkort komen er nog meer vragen met antwoorden over het thema “wonen”.
Veel succes alvast bij het leren voor KNM of Kennis Nederlandse Maatschappij.

Werk en Inkomen

Voor mijn leerlingen!

Je moet voor het KNM-examen echt heel veel dingen over de Nederlandse maatschappij weten. Denk niet, dat het KNM-examen makkelijk is. Dat is het niet! Probeer daarom de teksten uit je boek en van de papieren zo goed mogelijk te leren!

Dit leren gaat gemakkelijker als je heel veel vragen over de teksten kunt beantwoorden. Leer de vragen niet alleen maar uit je hoofd. Probeer ook goed te begrijpen wat je als antwoord op een vraag geeft. Zo kun je ook andere vragen in een KNM-examen goed beantwoorden, omdat je de teksten goed hebt geleerd.

Deze vragen hieronder gaan over het thema Werk en Inkomen.

Hoe vind je werk.

1. Wat moet je direct doen als je werkloos bent of wordt in NL?
Naar het UWV/Werkbedrijf in je woonplaats gaan.

2. Wat doet het UWV/Werkbedrijf precies?
Als je werkloos bent, moet jij je hier aanmelden als werkzoekende.
Het helpt bij het vinden van werk.
Het heeft informatie over cursussen en opleidingen.
Het kan je helpen bij het krijgen van een IDW en een EVC.
Het geeft sollicitatietrainingen.
Het heeft vacatures (advertenties voor werk) in de computer en op de site: http://www.werk.nl/

2a. Wat doet het UWV als je geen werk hebt of kunt vinden?
Het UWV beslist of jij recht hebt op een uitkering.
Het UWV kijkt ook of je probeert werk te zoeken, je moet werk zoeken.
Het UWV zegt hoeveel uitkering jij krijgt en stort dit dan elke maand op jouw rekening.

3. Wat is een IDW?
Een Internationale Diploma Waardering.
Jouw diploma uit jouw eigen land wordt dan goed bekeken en gecontroleerd.
Er wordt gekeken hoeveel jouw diploma in NL waard is. Hoe goed het diploma is.

4. Wat is een EVC?
Een Eerder Verworven Competentie.
Een EVC vertelt iets over jouw ervaring.
Het zegt iets over de dingen die jij goed kunt.

5. Hoe kun je in NL zelf werk zoeken?
Via een uitzendbureau;
Door een open sollicitatie;
In de krant of op het internet;
Via familie, vrienden of kennissen.

6. Wat is solliciteren, wat is een sollicitatie?
Solliciteren is in een brief vertellen dat jij graag de baan wilt hebben waarvoor een bedrijf iemand zoekt.
Een sollicitatie is een brief met een CV schrijven en opsturen. Als je een goede brief en CV hebt, krijg je misschien een gesprek bij het bedrijf waar je solliciteert.

7. Wat is een open sollicitatie?
Dit is een sollicitatie bij een bedrijf doen, terwijl er geen vacature/baan is.
Je schrijft dan een brief met CV en vertelt waarom jij graag bij dat bedrijf wilt werken en waarom jij een goede kandidaat bent.

8. Wat is een sollicitatietraining?
Het is een dag of een halve dag waarop jij leert en oefent hoe je moet solliciteren.

9. Wat kan en mag een werkgever (baas/bedrijf) jou allemaal vragen in een sollicitatiegesprek?
Hij mag vragen naar jouw werkervaring.
Hij mag vragen hoeveel uren je kunt werken en wanneer je kunt beginnen.
Soms vraagt een werkgever ook of je kinderen hebt en welke hobby’s je hebt. Een werkgever probeert jou zo beter te leren kennen. Hij wil weten wat voor een persoon hij in zijn bedrijf krijgt.

10. Wat is een CV?
Het is de afkorting voor Curriculum Vitae. Dat betekent levensloop.
Je schrijft hierin:
– jouw persoonlijke gegevens (naam, adres, woonplaats, geboorteplaats, geboortedatum, getrouwd ja/nee, kinderen ja/nee);
– jouw ervaring (alle bedrijven waar jij gewerkt hebt) met de functies erbij;
– jouw opleidingen.
Een CV is heel erg persoonlijk.

11. Waneer krijg je makkelijker werk?
Als je een goede opleiding of veel goede ervaring (EVC) hebt.
Als je jong bent.
Als je goed Nederlands spreekt en schrijft.

De juiste opleiding

1. Wat is een beroepsopleiding?
Een beroepsopleiding is een opleiding waarin je een beroep leert.
Voorbeelden zijn: schilder, kapper, kok, metaalbewerker, verzorgende, administratief medewerker of secretaresse.

2. Waar kan je het beste een beroepsopleiding volgen?
Aan een ROC. Dat is een Regionaal OpleidingsCentrum.

3. Welke soorten opleidingen kan je doen aan een ROC?
Een voltijd opleiding (dit is de hele week leren en naar school);
Een duale opleiding (dit is werken én leren).

4. Kan je altijd aan een ROC studeren?
Nee, je moet een diploma van de middelbare school hebben of je kunt een toelatingsexamen doen. Je moet daarvoor slagen!

5. Hoe kun je informatie krijgen over opleidingen?
Op internet, de opleidingen hebben sites;
Je kunt folders aanvragen;
Op een open dag, je kunt dan met docenten en studenten praten en vragen stellen.

6. Hoe moet je je aanmelden voor een opleiding?
Je moet een aanmeldingsformulier invullen.

7. Kost een beroepsopleiding geld?
Ja, als je 30 jaar of ouder bent moet je betalen.
Als je jonger bent dan 30 jaar krijg je studiefinanciering (StuFi).

8. Wat is studiefinanciering (StuFi)?
Geld dat je van DUO krijgt.
Het geld moet je gebruiken voor jouw opleiding.
Je krijgt het geld elke maand.
Als je je diploma niet haalt, moet je meestal alles terugbetalen.

8a. Waaruit bestaat de studiefinanciering (StuFi)?
Uit een basisbeurs;
een OV-kaart;
eventueel ook een aanvullende beurs en een lening.

Aan het werk.

1. Wat is er belangrijk als je werkt?
zelfstandig werken (dit is alleen kunnen werken, zonder dat je alles moet vragen);
– goed kunnen samenwerken (dit is goed overleggen met je collega’s en elkaar helpen als dat nodig is).

2. Wat is een OR?
De OndernemingsRaad.

3. Wat doet een OR?
Een OR spreekt (overlegt, vergadert) met de directie van een bedrijf;
De OR denkt aan de wensen van het personeel;
Als het personeel niet tevreden is, praat de OR met de directie erover.

4. Wat is een vakbond?
De vakbond zijn werknemers uit het hele land;
Zij werken allemaal in dezelfde branche (branche=het zelfde soort werk, bijvoorbeeld de metaal, de zorg, de bouw);
De vakbond maakt belangrijke afspraken met de werkgevers (de bedrijven/bazen) en met de politiek;
Zij maken afspraken over het loon, de veiligheid in de branche, vakanties/vrije dagen.

5. Wat is een personeelsvereniging?
Dit zijn een paar collega’s van je werk.
Zij organiseren gezellige dingen voor alle collega’s van jouw bedrijf, bijvoorbeeld een personeelsfeest.
Zij sturen kaartjes naar collega’s bij belangrijke gebeurtenissen (geboorte, jarig, ziekte).

6. Wat zijn rechten en plichten in je werk?
Rechten zijn de dingen die je moet krijgen van een bedrijf/baas.
Plichten zijn de dingen die jij moet doen.

6a. Noem een paar rechten?
Je moet loon, vakantiegeld of vakantietoeslag, vakantiedagen, reiskosten, een veilige werkplek krijgen.

6b. Noem een paar plichten?
Je moet op tijd komen en je aan de werktijden houden. Je moet je werk goed doen en je goed gedragen.

7. Wat is een arbeidsovereenkomst?
Een contract met afspraken tussen jou en je baas/bedrijf.
Hierin staan jouw rechten en plichten.
Je baas en jij zetten allebei je handtekening onder dit contract.

8. Wat staat er allemaal in een arbeidscontract?
Je naam en de naam van jouw baas.
Hoeveel loon je krijgt.
Hoeveel vakantiedagen je hebt.
Wat er gebeurt als je ziek bent.
Je werktijden.
Je proeftijd en je opzegtermijn.

9. Wat is het brutoloon?
Brutoloon is het totaal aan loon dat je verdient en wat je bedrijf/baas moet betalen.
Er moeten nog allerlei bedragen vanaf getrokken worden.

10. Wat is het nettoloon?
Het nettoloon is het loon dat jij op jouw bankrekening krijgt uitbetaald.
Het bruttoloon min alle premies en belasting is het nettoloon.

11. Waarvoor wordt er allemaal geld van het brutoloon afgetrokken?
Premies voor belasting, AOW en WW..

12. Wat is een CAO?
CAO is de afkorting voor een Collectie ArbeidsOvereenkomst.
Het zijn afspraken die de vakbonden maken met de werkgevers en de werknemers.
Er staan afspraken over het loon, de vakantiedagen, de veiligheid op de werkplek etc. in.
Elk soort werk heeft zijn eigen CAO. Je hebt een CAO voor de Bouw, voor de Zorg, voor de Metaal en nog veel meer.

Discriminatie op het werk

1. Wat is discriminatie?
Mensen slecht behandelen omdat ze anders zijn.
Bijvoorbeeld omdat mensen een andere huidskleur of een andere godsdienst hebben.
In NL is discriminatie verboden!

2. Wat kan je doen als je gediscrimineerd wordt?
Bel naar de Commissie Gelijke Behandeling en vraag advies.
Vertel het je baas, je OR, de vakbond, de afdeling personeelszaken.
Je kunt ook naar de rechter gaan, want discriminatie in NL is bij wet verboden.

Zelfstandig ondernemen / Een eigen bedrijf

1. Welke dingen zijn belangrijk voor je als je een eigen bedrijf wilt beginnen?
– Je moet naar de Kamer van Koophandel gaan;
– Je moet misschien een vergunning hebben;
– Je moet een ondernemingsplan maken;
– Geld / financiën.

2. Wat is de Kamer van Koophandel?
Je moet je hier inschrijven als je een eigen bedrijf wilt beginnen;
De Kamer van Koophandel houdt een register bij van alle bedrijven;
De Kamer van Koophandel let op of je speciale vergunningen nodig hebt;
De Kamer van Koophandel geeft informatie over invoer en uitvoer van producten;
De Kamer van Koophandel geeft advies aan de overheid;
De Kamer van Koophandel kan je helpen bij het opzetten van het ondernemingsplan met folders, informatie en computerprogramma’s.

3. Wanneer heb je misschien een vergunning nodig als je een eigen bedrijf wilt beginnen?
Wanneer je een café, restaurant of hotel wilt beginnen;
Waneer je dranken met alcohol wilt verkopen;

4. Van wie krijg je deze vergunning?
Deze vergunning krijg je van de gemeente.

5. Waarom is het verstandig een ondernemingsplan te maken?
Je hebt een ondernemingsplan nodig om geld te lenen bij de bank voor je bedrijf;
Je krijgt een goed beeld/overzicht van hoe jij je bedrijf moet inrichten, wat er belangrijk is om het bedrijf goed te kunnen voeren.

6. Wat moet er allemaal in een ondernemingsplan staan?
Wie jij bent;
Waarom je een bedrijf wilt beginnen;
Wat je wilt gaan verkopen en waarom;
Aan wie je jouw spullen wilt verkopen;
Dat je hebt onderzocht dat jouw bedrijf kans van slagen heeft;
Hoeveel alles gaat kosten en hoeveel je gaat verdienen;
Hoe je aan het geld denkt te komen.

7. Op welke manieren kan je aan geld voor je bedrijf komen?
Geld lenen bij de bank;
Eigen geld in je bedrijf stoppen, eventueel samen met andere mensen (dit heet investeren);
Sommige (meestal grote, belangrijke, goed georganiseerde) bedrijven geven aandelen uit. Mensen die aandelen van jouw bedrijf kopen, kopen eigenlijk een stukje van jouw bedrijf.

8. Wat zijn aandelen precies?
Meestal grote, belangrijke, goed georganiseerde bedrijven geven aandelen uit.
Als een bedrijf aandelen uitgeeft, verkopen ze een stukje van hun bedrijf.
Mensen die aandelen kopen, krijgen ook een stukje van het geld dat het bedrijf verdient.
Als het bedrijf geld verliest, verliezen de mensen met een aandeel ook geld.

9. Noem een paar bedrijven waarvoor je eerst een diploma moet halen?
Bouwbedrijf;
Slagerij;
Bakkerij;
Kapperszaak.

10. Welke cursussen zijn handig om te doen als je een eigen bedrijfje wilt starten?
Een cursus boekhouden;
Een cursus zelfstandig ondernemen.