zinnen met als en dan

Voor mijn leerlingen!

We gaan hieronder heel veel zinnen met “als” en “dan” maken. Eerst komt er een zin als voorbeeld:

bijzin
hoofdzin
Als ik in de regen loop,  dan word ik nat.

Wat kunnen we allemaal vertellen over deze zin?

– het eerste deel van de zin heet de bijzin;
– het tweede deel van de zin heet de hoofdzin;
– het woordje “Als” noemen we een voegwoord;
het woordje “dan” noemen we een bijwoord en kan ook weggelaten worden;
– wat gebeurt er na het woordje “dan”? Er komt een inversie (=omdraaiing) ! Let daar goed op, dat is voor jullie ook belangrijk bij het praten;
– let goed op waar de werkwoorden in de zin staan, ze zijn vet gedrukt;
– de bijzin die begint met het woordje “Als”, zegt dat er iets zo moet zijn, voordat je dat doet wat in de hoofdzin staat.  (De bijzin drukt een voorwaarde uit, zeggen we dan heel moeilijk).

Bijvoorbeeld:
Je moet eerst in de regen lopen, voordat je nat kunt worden. (de voorwaarde is dat je in de regen loopt)
Je moet eerst hoofdpijn hebben, voordat je zomaar een paracetamol neemt. (de voorwaarde is dat je hoofdpijn hebt)

Hier komen een aantal zinnen! Achter elke bijzin, kun je zelf proberen om nieuwe hoofdzinnen te maken. Veel succes! Als je zinnen gemaakt hebt, kijk ik ze voor je na.

  1. Als ik honger heb, dan ga ik eten.
  2. Als ik dorst heb, dan ga ik drinken.
  3. Als ik te mager word, dan moet ik meer eten.
  4. Als ik te dik ben, dan moet ik afvallen.
  5. Als ik hoofdpijn heb, dan neem ik een paracetamol.
  6. Als ik moe ben, dan ga ik even rusten.
  7. Als ik ’s middags thuis kom, dan ga ik koken.
  8. Als het regent, dan zet ik de paraplu op.
  9. Als het veel heeft gesneeuwd, dan moet ik sneeuwruimen.
  10. Als de zon schijnt, dan zet ik een hoed op.
  11. Als het donker is, dan doe ik een lamp aan.
  12. Als het warm is, dan ga ik onder een parasol zitten.
  13. Als het koud is, dan draag ik een dikke jas.
  14. Als het stormt, dan doe ik de ramen dicht.
  15. Als mijn koelkast leeg is, dan ga ik boodschappen halen.