zwakke werkwoorden in de verledentijd

Voor mijn leerlingen!

We gaan dit keer zinnen maken in de verledentijd (=vroeger). We maken zinnen met alleen maar zwakke werkwoorden.
Wil je wat meer leren over zwakke werkwoorden of wil je weten hoe je gemakkelijk een juiste verledentijd van een zwak werkwoord kan maken, dan kun je hier meer lezen.

Probeer nu de zinnen te maken. De woorden staan door elkaar. Let dus goed op de volgorde bij het maken van een zin.

Voorbeeld:
0) chatten – vriendin – gisteren
Gisteren chatte ik met een vriendin in Amerika.________________

1) vorige week – botsen – twee auto’s

________________________________________________________

2) de hond van de buren – blaffen – gisteren – hele dag

________________________________________________________

3) werken – vorig jaar – groot bedrijf

________________________________________________________

4) gisteren – leren – twee uur

________________________________________________________

5) spelen – vorige week – in de tuin

________________________________________________________

6) mailen – vorige maand – sollicitatie

________________________________________________________

7) afgelopen donderdag – betalen – rekening

________________________________________________________

8) schaatsen – vorig jaar – elfstedentocht

________________________________________________________

9) vroeger – reizen – verre landen

________________________________________________________

10) vanochtend – bushalte – wachten

________________________________________________________

11) vorig jaar – mijn neef – trouwen – Marokko

________________________________________________________

12) gisteren – huilen – pijn

________________________________________________________

13) examen – vorig jaar – slagen – mijn vriendin

________________________________________________________

14) vorige maand – zakken – inburgering

________________________________________________________

15) vanochtend – auto – stoppen – zeebrapad

________________________________________________________

16) vroeger – papieren – bewaren

________________________________________________________

17) school – gistermiddag – mijn zusje – halen

________________________________________________________

Als je de zinnen gemaakt hebt, geef ze dan aan mij. Ik kijk ze graag voor je na!
Was het moeilijk? Maak ze dan over een tijdje nog eens weer opnieuw. Gebruik dan ook eens andere woorden in de zin. Door veel te oefenen, maak je steeds minder fouten bij het schrijven van woorden en zinnen. Veel succes!

 

Advertenties

‘T KoFSCHiP

Voor mijn leerlingen!

De ‘regel’ van ‘T KoFSCHiP

– noemen we een ezelsbruggetje (=helpt om iets niet te vergeten).
– gebruik je bij het maken van de verleden tijd (=vroeger) van zwakke werkwoorden.
– zegt je of zo’n verleden tijd moet eindigen op -te(n) of -de(n) en een voltooid deelwoord (= ook wel het “ge-woord”) moet eindigen op een -t of een -d.

Een zwak werkwoord is een werkwoord dat in de verledentijd op -te(n) of -de(n) eindigt en waarvan het voltooid deelwoord niet op -en eindigt.
Geen probleem, als je nu niet weet welk werkwoord een zwak werkwoord is. Dat komt vanzelf als je het meer gebruikt!

Voorbeelden van een zwak werkwoord in (1) de verleden tijd en (2) voltooide tijd (dus met een voltooid deelwoord) zijn:
wonen
1) Vorig jaar woonde ik nog in Somalië (verledentijd)
2) Vroeger heb ik in Somalië gewoond (voltooide tijd met voltooid deelwoord)
luisteren
1) Vorige week luisterden wij samen naar de radio. (verledentijd)
2) Wij hebben vroeger veel muziek geluisterd (voltooide tijd met deelwoord)
koken
1) Gisteren kookte Zamzam lekker eten. (verledentijd)
2) Vorige week heeft Asma lekker gekookt. (voltooide tijd met voltooid deelwoord)

De medeklinkers die je ziet in het woord: ’t KoFSCHiP zijn
de T, K, F, S, CH en P.

Doe nu het volgende en gebruik de regel:
1) Kijk naar het hele werkwoord, dus: wonen, luisteren of koken.
2) Haal van het hele werkwoord -en af. Dan blijft er won, luister, en kok over. Dat noemen we “de stam” van het werkwoord.
3) Kijk of de laatste letter van deze stam één van de medeklinkers uit ’t kofschip is?
Is het antwoord ja, dan krijgt de uitgang van het werkwoord in de verledentijd -te(n) en eindigt het voltooid deelwoord dus ook op een t.
Is het antwoord nee, dan krijgt de uitgang van het werkwoord in de verledentijd -de en eindigt het voltooid deelwoord daarom ook op een d.

Even oefenen:
Waarom is de verledentijd van wonen dus woonde(n)?
Omdat de stam won eindigt op de medeklinker N en deze niet in ’t Kofschip staat.
Waarom is het voltooid deelwoord van luisteren dus geluisterd?
Omdat de stam luister eindigt op de medeklinker R en deze niet in ’t Kofschip staat.
Waarom is de verledentijd van koken dus kookte(n)?
Omdat de stam kok eindigt op de medeklinker K en deze wél in ’t Kofschip staat!

Opdracht:
Maak nu van de volgende zwakke werkwoorden de verleden tijd en het voltooid deelwoord.
Als je telkens de nieuwe woorden uit jullie eerste -oranje- boek goed geleerd hebt, dan ken je alle werkwoorden nog en weet je dus wat ze betekenen. Wanneer je het niet meer weet, zoek dan de betekenis nog eens op of vraag het aan mij!

chatten – botsen – miauwen – blaffen – werken – leren – spelen – mailen – skiën (let op!) – schaatsen – betalen (let op!) – reizen – wachten – trouwen – instappen (let op!) – huilen – slagen – zakken – mislukken (let op!) – stoppen – weggooien (let op!) – bewaren (let op!) – halen – dooien.

Heel veel succes!
Als je de opdracht gemaakt hebt, kijk ik deze graag voor je na!