korte zinnen zeggen -3

Voor mijn leerlingen!

We gaan nog een keer oefenen met praten. Hieronder zie je weer een heleboel zinnen. Het zijn makkelijke zinnen. Door ze vaak te lezen, te zeggen en te herhalen, wordt het steeds makkelijker om goede Nederlandse zinnen te zeggen en antwoord te geven. Je leert met deze oefening, een Nederlandse zin in de goede volgorde te zeggen. Dit keer oefen je met zinnen met een plaats- of tijdsbepaling.

Je kunt de oefening weer met twee personen doen. Bijvoorbeeld samen met je taalcoach, je buurvrouw of een vriend of vriendin.
Jouw taalcoach, buurvrouw, vriend of vriendin leest dan telkens de zinnen links. Dit zijn de zinnen in de “normale/gewone” volgorde.  Jij zegt daarna de zinnen rechts die je begint met de plaats- of tijdsbepaling.
Eerst mag je de zinnen meelezen, later moet je de zin uit je hoofd kunnen maken en zeggen.

Heel veel succes!

taalcoach zegt: leerling begint de zin met tijd/plaats:
1.Het bed staat in de slaapkamer
2. Het schilderij hangt aan de muur.
3. De auto staat in de straat.
4. De bus staat in de garage.
5. De spiegel hangt in de badkamer.
6. Ik kook in de keuken.
7. De vreemde man woont in Nederland.
8. Badria woont in deze stad.
9. De vrouw woont in het dorp.
10. Hassan komt om 4 uur thuis.
11. Mijn zus gaat volgend jaar naar school.
12. De les begint om half 9.
13. Tante gaat in de zomer naar Marokko.
14. De familie gaat in augustus op vakantie.
15. De inburgering begint in september.
16. Hussein gaat op vrijdag naar de moskee.
17. Buurvrouw gaat op zondag naar de kerk.
18. Mijn kleine zusje komt om 12 uur thuis.
19. Ik heb les op dinsdag en vrijdag.
20. Het is Nieuwjaar op 1 januari.
21. Het is Kerstmis op 25 en 26 december.
22. De Ramadan begint in juni.
23. Mijn fiets staat in de schuur.
24. Het is morgen bewolkt in Nederland.
25. De jongen gaat dit jaar alleen op reis.
26. Wij hebben morgen feest in Rotterdam.
27. De spiegel hangt in de hal.
28. Mijn tante woont in Eritrea.
29. Mijn oom woont in de flat.
30. Mijn kleine zusje is in huis.
31. Hamza is in de keuken.
32. De spiegel hangt aan de muur.
33. Mijn boek ligt op tafel.
34. De zeep ligt in de badkamer.
35. De jas hangt aan de kapstok.
1. In de slaapkamer staat het bed.
2. Aan de muur hangt het schilderij.
3. In de straat staat de auto.
4. In de garage staat de bus.
5. In de badkamer hangt de spiegel.
6. In de keuken kook ik.
7. In Nederland woont de vreemde man.
8. In deze stad woont Badria.
9. In het dorp woont de vrouw.
10. Om 4 uur komt Hassan thuis.
11. Volgend jaar gaat mijn zus naar school.
12. Om half 9 begint de les.
13. In de zomer gaat tante naar Marokko.
14. In augustus gaat de familie op vakantie.
15. In september begint de inburgering.
16. Op vrijdag gaat Hussein naar de moskee.
17. Op zondag gaat buurvrouw naar de kerk.
18. Om 12 uur komt mijn kleine zusje thuis.
19. Op dinsdag en vrijdag heb ik les.
20. Op 1 januari is het Nieuwjaar.
21. Op 25 en 26 december is het Kerstmis.
23. In juni begint de Ramadan.
23. In de schuur staat mijn fiets.
24. In Nederland is het morgen bewolkt.
25. Dit jaar gaat de jongen alleen op reis.
26. Morgen hebben wij feest in Rotterdam.
27. In de hal hangt de spiegel.
28. In Eritrea woont mijn tante.
29. In de flat woont mijn oom.
30. In huis is mijn kleine zusje.
31. In de keuken is Hamza.
32. Aan de muur hangt de spiegel.
33. Op tafel ligt mijn boek.
34. In de badkamer ligt de zeep.
35. Aan de kapstok hangt de jas.

 

Advertenties

korte zinnen zeggen -2

Voor mijn leerlingen!

We gaan nog een keer oefenen met praten. Hieronder zie je weer een heleboel zinnen. Het zijn makkelijke zinnen. Door ze vaak te lezen, te zeggen en te herhalen, wordt het steeds makkelijker om goede Nederlandse zinnen te zeggen en antwoord te geven. Je leert met deze oefening, een Nederlandse zin in de goede volgorde te zeggen. Dit keer oefen je met het woordje “ook” in de antwoordzin.

Je kunt de oefening met twee personen doen. Bijvoorbeeld samen met je taalcoach of de buurvrouw of buurman.
Jouw taalcoach leest dan telkens de zinnen links. Jij geeft daarna antwoord met gebruik van het woordje “ook” in de zin.
Eerst mag je het antwoord ook lezen, later moet je het antwoord uit je hoofd zeggen.

Veel succes!

taalcoach zegt: leerling antwoordt met “ook”:
1.Ik houd van koken.
2.Ik lees vaak een boek.
3. Ik kom alleen naar huis.
4. Wij slapen’s nachts heel goed?
5. Zij gaat met de tram.
6. De bus komt al snel?
7. Jullie gaan op de fiets.
8. Mijn ouders hebben een auto.
9. Wij hebben een groot huis.
10. Wij wonen aan dat plein.
11. Het is daar druk op straat.
12. Ik kom uit Eritrea.
13. ’s Winters is het koud?
14. Mijn broertje gaat al naar school.
15. Ik heb twee zusjes.
16. Wij wonen al lang in Nederland.
17. Zij kookt elke dag.
18. Morgen ga ik naar Den Haag.
19. Wij komen op tijd naar huis.
20. Jullie blijven morgen slapen.
21. Ik woon alleen in de flat.
22. Wij hebben een hond.
23. De buurman heeft een groot huis.
24. Dit is een grote boerderij.
25. Ik woon in een drukke straat.
26. Zij eet vaak bij de buren.
27. Hij eet ’s middags warm.
28. Ik kan al fietsen?
29. Wij moeten een paraplu meenemen.
30. Zij kan al goed Nederlands.
Ik houd ook van koken.
Ik lees ook vaak een boek.
Ik kom ook alleen naar huis.
Wij slapen ’s nachts ook heel goed.
Zij gaat ook met de tram.
De tram komt ook al snel.
Wij gaan ook op de fiets.
Mijn ouders hebben ook een auto.
Wij hebben ook een groot huis.
Wij wonen ook aan dat plein.
Het is hier ook druk op straat.
Ik kom ook uit Eritrea.
Op de Noordpool is het ook koud.
Mijn zusje gaat ook al naar school.
Ik heb ook twee zusjes.
Wij wonen ook al lang in Nederland.
Ik kook ook elke dag.
Morgen ga ik ook naar Den Haag.
Ik kom ook op tijd naar huis.
Ik blijf morgen ook slapen.
Ik woon ook alleen in de flat.
Ik heb ook een hond.
Ik heb ook een groot huis.
Dat is ook een grote boerderij.
Ik woon ook in een drukke straat.
Ik eet ook vaak bij de buren.
Ik eet ’s middags ook warm.
Ik kan ook al fietsen.
Ik moet ook een paraplu meenemen.
Ik kan ook al goed Nederlands.

korte zinnen zeggen

Voor mijn leerlingen!

We gaan vandaag oefenen met praten. We gaan mooie Nederlandse zinnen zeggen. Je zult merken, dat het helemaal niet moeilijk is! :)
Hieronder zie je een heleboel vragen mét antwoorden. Het zijn allemaal makkelijke zinnen. Door ze vaak te lezen, te zeggen en te herhalen, wordt het steeds makkelijker om goede Nederlandse zinnen te zeggen. Je leert met deze oefening heel goed een Nederlandse zin in de goede volgorde te zeggen.

Je kunt de oefening met twee personen doen. Bijvoorbeeld samen met je taalcoach of de buurvrouw of buurman.
Jouw taalcoach leest dan eerst de vraag. En jij geeft daarna het antwoord.
Eerst mag je het antwoord ook lezen, later moet je het antwoord uit je hoofd zeggen.

Veel succes!

vraag antwoord
1. Houdt u van koken?
2. Lees je vaak een boek?
3. Kom je alleen naar huis?
4. Slaap je ’s nachts goed?
5. Ga je met de tram?
6. Komt de bus al snel?
7. Gaan jullie op de fiets?
8. Hebben jouw ouders een auto?
9. Hebben jullie een groot huis?
10. Wonen jullie aan dat plein?
11. Is het druk op straat?
12. Kom jij uit Eritrea?
13. Ik het ’s winters koud?
14. Gaat jouw broertje al naar school?
15. Heb jij twee zusjes?
16. Wonen jullie al lang in Nederland?
17. Kook jij elke dag?
18. Ga jij morgen naar Den Haag?
19. Komen jullie op tijd naar huis?
20. Blijven jullie morgen slapen?
21. Woon jij alleen in de flat?
22. Hebben jullie een hond?
23. heeft de buurman een groot huis?
24. Is dat een grote boerderij?
25. Woon jij in een drukke straat?
26. Eet jij vaak bij de buren?
27. Eet jij ’s middags warm?
28. Kun jij al fietsen?
29. Moeten wij een paraplu meenemen?
30. Kan jij al goed Nederlands?
Ja, ik houd van koken.
Ja, ik lees vaak een boek.
Ja, ik kom alleen naar huis.
Ja, ik slaap ’s nachts goed.
Ja, ik ga met de tram.
Ja, de bus komt al snel.
Ja, wij gaan op de fiets.
Ja, mijn ouders hebben een auto.
Ja, wij hebben een groot huis.
Ja, wij wonen aan dat plein.
Ja, het is druk op straat.
Ja, ik kom uit Eritrea.
Ja, het is ’s winters koud
Ja, mijn broertje gaat al naar school
Ja, ik heb twee zusjes.
Ja, wij wonen al lang in Nederland.
Ja, ik kook elke dag.
Ja, ik ga morgen naar Den Haag.
Ja, wij komen op tijd naar huis.
Ja, wij blijven morgen slapen.
Ja, ik woon alleen in de flat.
Ja, wij hebben een hond.
Ja, de buurman heeft een groot huis.
Ja, dat is eengrote boerderij.
Ja, ik woon in een drukke straat.
Ja, ik eet vaak bij de buren.
Ja, ik eet ’s middags warm.
Ja, ik kan al fietsen.
Ja, wij moeten een paraplu meenemen.
Ja, ik kan al goed Nederlands.

modale werkwoorden -5

Voor mijn leerlingen!

We gaan nog even weer oefenen met het gebruik van modale werkwoorden. Het goed gebruiken van modale werkwoorden kan je ook goed helpen bij het schrijven van e-mails en brieven. Hier kan je nog weer even herhalen welke modale werkwoorden er zijn en wat ze doen in een zin.

Hieronder komen een aantal zinnen. Het zijn best moeilijke zinnen, dus neem rustig de tijd!
Veel succes!

1. Het slachtoffer ___________ snel naar het ziekenhuis, want hij is heel ernstig gewond!
2. Moet jij niet naar jouw afspraak nu? Nee, ik ___________ niet naar de afspraak. Ik heb de afspraak verzet.
3. De secretaresse __________ graag een afspraak voor haar baas maken, maar ze ________  niemand bereiken.
4. Nadia ___________ heel graag naar de toneelschool, want ze ____________ later actrice worden.
5. Wanneer je arts wilt worden, _____________ je aan de universiteit studeren.
6. Moeten wij naar dat feest? Nee hoor, je __________ niet naar het feest. Je _______ gaan, als je zin hebt.
7. “______________ wij vanmiddag iets leuks gaan doen?”, vroeg de vrouw aan haar vriendin.
8. Ik ________ niet aanwezig zijn bij de vergadering, want ik ____________ naar het ziekenhuis.
9. Moet jij morgen ook bij dat gesprek aanwezig zijn? Nee, ik _____________ er niet bij te zijn.
10. ____________________ zij al stemmen? Nee, zij ______________ nog niet stemmen, zij zijn nog geen 18 jaar.
11. Volgend jaar __________ ik heel graag naar Amerika op vakantie. Dat is al heel lang mijn droom.
12. Volgend jaar __________ ik eindelijk naar Amerika op vakantie, want ik heb genoeg geld gespaard.
13. ___________ ik morgen met jou meegaan naar dat moeilijke gesprek bij de specialist? Nee hoor, dat __________ niet. Ik _____ dat heel goed alleen.
14. Ik ___________ volgende week een paar nieuwe oefeningen voor je meenemen. Beloofd!
15. Het _________ zo dadelijk wel gaan regenen, want de lucht is donker en er zijn wolken.

Is het gelukt? Ik kijk de oefening graag voor je na!

44 lange jaren

Ja, zeker! 44 lange jaren heeft Nederland gewacht op het wederom winnen van het Eurovisie songfestival! Hieronder zie en hoor je het Nederlandse winnende liedje uit 1975! De Twentse groep Teach In met zangeres Getty Kaspers zong destijds “Ding-a-Dong”. Vraag me niet wat het betekende! :))
En zo gek, wanneer ik die mannen van Teach In daar zie swingen, lijken ze toch echt net op de heren van Abba! :))

Het wachten werd beloond! Gisteravond is het dan toch eindelijk wederom gelukt: Nederland won het Eurosivie songfestival 2019 in Tel Aviv, Israel! <3 !!ישראל ,תודה רבה (#esc2019).
En dat allemaal dankzij onze #Duncan Laurence met zijn indrukwekkende song #Arcade! (Groot (!!), zie hier onderaan.)

Het is zo heerlijk dat ons “calimero” landje zich volgend jaar eindelijk eens weer groots mag tonen aan de rest van Europa en de wereld, door het #esc te organiseren en zo iedereen deelgenoot te maken van alle mooie plekjes die Nederland te bieden heeft! Super, #Duncan! Je geeft Nederland een geweldige boost! ;-))
En het is helemaal niet zeker dat het spektakel zich volgend jaar in Amsterdam gaat afspelen, ook andere provinciehoofdsteden strijden nu al om de organisatie-eer! Misschien wordt het Arnhem, Zwolle, Maastricht of Rotterdam?! Of waarom zouden we het niet midden in de polder houden? Een groots #esc spektakel onder zeeniveau! Misschien wel met DJ Armin van Buuren!? Geweldig toch? We wachten af!

En #Duncan, natuurlijk van Harte Gefeliciteerd!! Hier kom je!! Nederland krijgt er geen genoeg van!

modale werkwoorden -4

Voor mijn leerlingen!

Je weet inmiddels wat modale werkwoorden zijn. Het zijn de werkwoorden kunnen, mogen, moeten, willen, zullen (en hoeven).  Hier kan je lezen wat modale werkwoorden ook al weer precies doen in een zin.

Hieronder staan zinnen, waarin je het juiste modale werkwoord moet invullen. Denk ook aan de juiste werkwoordsvorm. Veel succes!

1. Ik ______________ morgen niet komen. Ik heb een andere afspraak.
2. Anita _______________ later heel graag studeren, daarom maakt zij nu altijd heel braaf haar huiswerk.
3. Hendrik _________________ naar de dokter gaan, want hij heeft erge last van zijn rug en kan niet werken.
4. De kinderen __________________ elke dag huiswerk maken. Alleen zo leren zij goed Nederlands.
5. Mijn zus  __________ heel goed koken. Zij maakt heel veel lekkere dingen.
6. ______ jij morgen bij mij komen, of is dat niet mogelijk?
7. De kinderen ________________ niet op straat spelen, want dat is erg gevaarlijk!
8. Jan ___________ nog niet alleen met de trein reizen, want hij is nog te jong.
9. Moeder _______________ elke dag medicijnen nemen. Zonder medicijnen wordt zij ziek.
10. Peter ______________ erg hard studeren, omdat hij morgen examens heeft.
11. _________  jij ook graag muziek luisteren? Nee, ik houd niet van muziek!
12. Wat _____________ jij graag voor jouw verjaardag hebben? Ik ___________ graag een boek.
13. Wat _____________ jij later worden? Ik _______ later dokter worden.
14. Jullie ____________ in de klas stil zijn, want er zijn examens!
15. ____________ we naar huis gaan? Ja, laten we dat doen.
16. Wanneer denk je, dat hij _______ komen? Ik denk dat hij niet zo laat ________ komen.
17. ____________ jullie volgende week donderdag op het spreekuur komen, of hebben jullie dan geen tijd?
18. ___________ U mij volgende week bellen? We kunnen dan een afspraak maken.
19. Sakina ________ graag een paar dingen vragen.
20. ___________ we volgende week gezellig gaan winkelen?

Was het moeilijk? Wanneer je het gemaakt hebt, kijk ik het graag voor je na!

we love the earth.org

Omdat ik best wel een beetje begaan ben met onze aardbol, en de klimaatverandering of #ClimateChange ons meer en meer met de neus op de feiten drukt, vind ik het geweldig dat een aantal wereldberoemde artiesten zoals Justin Bieber, Ariana Grande, Ed Sheeran, Miley Cyrus en vele, vele anderen, donderdag jl. onderstaande videoclip hebben gelanceerd!

Wees ook geinformeerd én gewaarschuwd en kijk! Ruim 19 miljoen mensen gingen je op dit moment al voor!

Fijn weekend iedereen. Én voor iedereen die momenteel wat viert: fijne paasdagen of chag pesach sameach!

luisteren naar het jeugdjournaal -5

Voor mijn leerlingen!

Eindelijk gaan we weer eens naar een nieuw jeugdjournaal luisteren! Het gaat om het ochtendjournaal van vandaag, 22 maart 2019 om 08.45 uur.

Kijk hier naar het jeugdjournaal.

Hier volgen de vragen bij de video.

1)
Hoe wordt het weer vandaag?
A) de hele dag mistig
B) de hele dag zonnig
C) het wordt lenteweer

2)
Inwoners van de Amerikaanse stad Los Angeles zagen een lichtflits in de lucht. Wat was dit?
A) een meteoriet
B) een helikopter
C) skydivers

3)
Wat ligt er veel te veel langs rivieren in Nederland?
A) plastic afval
B) wattenstaafjes
C) schoonmaakdoekjes

4)
Tegen welk land heeft het Nederlands voetbalelftal gespeeld?
A) Duitsland
B) Wit-Rusland
C) Rusland

5)
Hoeveel slachtoffers vielen er bij de aanslag in Christchurch, Nieuw Zeeland?
A) 50
B) 150
C) 15

6)
Duif Armando uit Belgie is meer dan een miljoen waard!
A) waar
B) niet waar

7)
Wat deed minister-president Rutte, toen hij in een debat het antwoord niet meer wist?
A) hij zei: dit is de hel!
B) hij riep: Carolien!
C) hij zei: ik heb een blackout!

8)
De aanslag in Utrecht vond plaats in een bus.
A) waar
B) niet waar

De antwoorden kan je onder het plaatje vinden.

luisteren1plaatje: (c) www.dialoogincompany.nl/de-kunst-van-het-luisteren/

1) C
2) C
3) A
4) B
5) A
6) A
7) B
8) B

eenvoudige zinnen maken

We gaan zinnen maken met de werkwoorden: wonen, schrijven en kiezen.

Opdracht:
Zet de zinnen in de goede volgorde.
Schrijf het werkwoord in de juiste vorm.
Schrijf de juiste lidwoorden (de, het, een).

Let op de volgorde van de Nederlandse zin:
1. wie (het onderwerp)
2. werkwoord (persoonsvorm)
3. wanneer
4. wat
5. waar
——

1. (schrijven) – leerling – in het schrift

2. op het bord – docent – (schrijven)

3. volgende week – wij – verhaal – (schrijven)

4. (kiezen) – meisje – groene jas

5. volgende maand – volk – (kiezen) – nieuwe regering

6. in de winkel – mevrouw – (kiezen) – rode blouse

7. (wonen) – familie – in een rijtjeshuis

8. in Amsterdam – (wonen) – kinderen – in een flat

9. al twintig jaar – mijn broer – in Den Haag – (wonen)

Veel succes! Heb je de oefening gemaakt? Dan kijk ik deze graag voor je na!