werkwoorden

Voor mijn leerlingen!

Wat is een werkwoord?
Een werkwoord kan je meestal doen.
Bijvoorbeeld: Je loopt op straat. Wat doe je dan op straat? Je loopt. Loopt komt van het werkwoord lopen.
Of een ander voorbeeld: Hij ligt in bed. Wat doet hij in bed? Hij ligt. Ligt komt van het werkwoord liggen.

Op sommige werkwoorden hieronder kan je klikken. Je komt dan op een pagina met:
1) de werkwoordvervoegingen (=ik, jij, hij/zij/u …., jullie, wij, zij ……) in de tegenwoordige tijd (=nu) en soms
2) vragen en antwoorden of gewone zinnen met dit werkwoord.
Leer de werkwoordvervoegingen héél goed uit je hoofd.
Lees de zinnen of de vragen en antwoorden goed. Je kunt deze daarna met zijn tweeën oefenen.
De een vraagt, de ander antwoordt (uit het hoofd).
Als je alleen bent, kan je de vragen en antwoorden oefenen met het audiobestandje dat je gekregen hebt.
Het is heel erg belangrijk dat je de werkwoordvervoegingen goed uit je hoofd leert. Je hoeft dan bij het maken van een antwoord op een vraag niet meer lang na te denken over een goed antwoord. Heel veel plezier bij het oefenen!

Twee heel belangrijke werkwoorden in de Nederlandse taal zijn:
hebben en zijn.

Verder hebben we de volgende werkwoorden geleerd:

wonen
schrijven
luisteren
spreken = praten
lezen
noemen
lopen
staan
liggen
hangen
verwijderen
zitten
zien
kijken
dragen
koken
afwassen
wassen
bakken
snijden
schijnen (zon/maan)
chatten
doen
rijden
vliegen
varen
botsen
miauwen
blaffen
werken
leren
spelen
mailen
skiën
zwemmen
schaatsen
hardlopen
springen
zingen
betalen
kunnen
reizen
nodig hebben
wachten

Dan zijn er nog de volgende werkwoorden die een tegenstelling zijn:

komengaan
trouwen – scheiden
zoeken – vinden
instappen – uitstappen
huilen – lachen
houden van – haten
aandoen – uitdoen
kopen – verkopen
sluiten – openen
toenemen – afnemen
stijgen – dalen
slagen – zakken, mislukken
vertrekken – aankomen
stoppen – beginnen
slape – wakker worden
open doen – dicht doen
nazeggen – voorzeggen
weggooien – bewaren
krijgen – geven
krijgen – nemen
halen – brengen
vriezen – dooien
eten – drinken

En hier kun je meer leren over de modale werkwoorden: kunnen, mogen, moeten, willen, zullen (en hoeven).

Advertenties