modale werkwoorden

Voor mijn leerlingen!

Wat zijn modale werkwoorden?
De modale werkwoorden zijn de werkwoorden: kunnen, mogen, moeten, willen, zullen (en hoeven).

In een Nederlandse zin staat het modale hulpwerkwoord vooraan in de zin en het hele werkwoord (=infinitief) waar het bij hoort, helemaal achteraan. Daar tussenin staan andere dingen. Bij voorbeeld:
Ik kan alleen in de ochtend werken.
Hij mag op straat fietsen.
Zij moet altijd thuis schoonmaken.
Hij wil heel graag later studeren.
Ik zal dit volgende week voor u doen.

Modale hulpwerkwoorden geven een speciale betekenis aan de zin. Zo betekent:
kunnen = het is mogelijk, het behoort tot de mogelijkheden;
mogen =toestemming hebben om iets te doen;
moeten =de plicht hebben, verplichting, iets is noodzakelijk;
willen =de sterke wens hebben, wensen, voorkeur hebben;
zullen =iets van plan zijn, iets beloven, iets voorspellen, maar ook een waarschijnlijkheid.

De werkwoordvervoegingen:

kunnen
ik kan
jij/u kunt
hij/zij/het kan
wij/jullie/zij kunnen
mogen
ik mag
jij/u mag
hij/zij/het mag
wij/jullie/zij mogen
moeten
ik moet
jij/u moet
hij/zij/het moet
wij/jullie/zij moeten
willen
ik wil
jij/u wilt
hij/zij/het wil
wij/jullie/zij willen
zullen
ik zal
jij/u zult
hij/zij/het zal
wij/jullie/zij zullen
hoeven
ik hoef
jij/u hoeft
hij/zij/het hoeft
wij/jullie/zij hoeven

Probeer de werkwoordvervoegingen goed uit je hoofd te leren. Met de vragen en antwoorden kun je flink oefenen. Herhaal ze regelmatig! De volgorde in een Nederlandse zin wordt dan heel normaal voor jou :). Heel veel succes!

Vragen en antwoorden met kunnen, mogen, moeten, willen en zullen:

Wanneer kan jij een afspraak maken?
Ik kan volgende week een afspraak maken.
Wanneer kan zij even op bezoek komen?
Zij kan morgen ochtend op bezoek komen.
Kan jouw zus goed koken?
Ja, mijn zus kan heel goed koken.
Kan jij
mij even helpen?
Ja hoor, ik kan je wel even helpen.
Kunnen jullie voor mij morgen de boodschappen doen?
Ja hoor, wij kunnen morgen wel boodschappen voor jou doen.
Kan jij even een taxi bestellen?
Nee, ik kan nu geen taxi bestellen, ik heb het druk.
Kan jouw kleine zusje goed leren?
Ja, mijn kleine zusje kan heel goed leren.
Kan jij goed Nederlands schrijven?
Ja, ik kan heel goed Nederlands schrijven.

Mag ik jou iets vragen?
Ja hoor, jij mag mij iets vragen.
Mag ik hier gaan zitten?
Nee, jij mag daar niet zitten. Dat is de stoel van moeder.
Mag ik binnenkomen?
Ja zeker, jij mag binnenkomen.
Mogen wij even muziek luisteren?
Nee, jullie mogen nu geen muziek luisteren. Het is al laat.
Mag Anita naar de tv kijken?
Ja hoor, Anita mag naar de tv kijken.
Mag Peter alleen met de trein reizen?
Ja, Peter mag alleen reizen.
Mag ik even in jouw schrift kijken?
Nee, jij mag niet in mijn schrift kijken. Het schrift is van mij alleen.
Mag ik even zien wat jij daar doet?
Nee, jij mag niet zien wat ik doe. Het is geheim.

Wat moet moeder elke dat nemen?
Moeder moet elke dag haar medicijnen nemen. Anders gaat het niet goed met haar.
Wat moet jij elke zondag doen?
Ik moet elke zondag het huis schoonmaken.
Wat moet een goed moslim elke dag doen?
Een goed moslim moet elke dag vijf keer bidden.
Waarom moet jij hard studeren?
Ik moet hard studeren omdat ik mijn examen heb.
Waar moeten wij wachten op de bus?
Jullie moeten bij de bushalte wachten op de bus.
Wat moet jij ’s ochtends doen?
Ik moet ’s ochtends ontbijt maken.
Wat moet je elke dag na het eten doen?
Ik moet elke dag na het eten mijn tanden poetsen.
Waarom moet hij werken?
Hij moet werken omdat hij geld nodig heeft.

Wat wil jij graag worden?
Ik wil graag kapper worden.
Wat wil jij na school, werken of studeren?
Ik wil na school studeren.
Waarom wil hij drinken?
Hij wil drinken omdat hij dorst heeft.
Waarom wil hij eten?
Hij wil eten omdat hij honger heeft.
Willen jullie ook muziek luisteren?
Nee, wij willen geen muziek luisteren, wij houden niet van muziek.
Wil jij even boodschappen halen?
Nee, ik wil geen boodschappen halen. Ik heb het druk.
Wat wil jij voor je verjaardag hebben?
Ik wil voor mijn verjaardag een nieuw boek hebben.
Waar wil Hassan werken?
Hassan wil in een restaurant werken.

Wanneer wil je dit even voor mij doen? (verzoek)
Ik zal dit morgen voor je doen. (belofte)
Wanneer denk je, dat hij zal komen?
Hij zal wel niet zo laat komen. (waarschijnlijk, voorspelling)
Wat voor weer zal het morgen worden? (vragen naar voorspelling)
Het zal morgen een hete dag worden. (voorspelling)
Hoe zal hij door Kenia reizen?
Hij zal wel per kameel reizen (waarschijnlijk, voorspelling)

Gecombineerd:
Waarom moet iedereen nu stil zijn? (plicht, noodzaak)
Omdat ik wil studeren. (wens)
Kun je mij even helpen? (is het mogelijk dat…)
Nee, ik moet nu andere dingen doen. (noodzaak)
Wie kan mij even helpen? (is het mogelijk dat…)
Moeder zal jou wel even helpen. (belofte)
Zullen we naar huis gaan? (iets van plan zijn).
Ja, laten we naar huis gaan.

Advertenties