hebben

Voor mijn leerlingen!

De werkwoordvervoegingen:

ik heb
jij hebt
hij/zij/het heeft
wij/jullie/zij hebben

Vragen en antwoorden met het werkwoord hebben:

Heb jij een nieuw boek? (ja….)
Ja, ik heb een nieuw boek.

Heb jij goed geslapen? (ja….)
Ja, ik heb goed geslapen.

Heb jij een nieuwe jurk? (ja….)
Ja, ik heb een nieuwe jurk.
Heb jij ook een nieuwe broek? (nee…..)
Nee, ik heb geen nieuwe broek.

Heeft Anita werk? (ja……)
Ja, Anita heeft werk.

Heeft Leo een zus? (nee……)
Nee, Leo heeft geen zus.
Heeft hij een broer? (ja……)
Ja, hij heeft een broer.

Hoeveel poten heeft een schaap?
Het schaap heeft vier poten.

Heeft zij een auto? (nee…..)
Nee, zij heeft geen auto.
Heeft zij een fiets? (ja….)
Ja, zij heeft een fiets.

Hoeveel slaapkamers heeft het huis?
Het huis heeft drie slaapkamers.

Hebben jullie een huis?
Ja, wij hebben een huis.
Heeft het huis een balkon? (Ja…..)
Ja het huis heeft een balkon.
En heeft het huis ook een tuin? (Nee…..)
Nee, het huis heeft geen tuin.

En hebben jullie een auto? (nee…..)
Nee, wij hebben geen auto.

Wanneer hebben jullie gegeten? (18.00 u…..)
Wij hebben om 18.00 uur gegeten.

Wat hebben jullie zondag gedaan? (schoonmaken…)
Wij hebben zondag schoon gemaakt.

Wanneer hebben jullie gewinkeld? (donderdag….)
Wij hebben donderdag gewinkeld.

Heeft Tineke gekookt? (ja…..)
Ja, Tineke heeft gekookt
Wat heeft Tineke gekookt?
Tineke heeft pasta gekookt.

Hier ga je naar de werkwoordenlijst.

Advertenties