praten op jouw examen -2

Voor mijn leerlingen!

Hieronder zie je nog een keer 15 vragen (met dank aan Ad Appel). Het zijn vragen zoals ze op jouw inburgeringsexamen spreekvaardigheid ook kunnen worden gesteld.

Het zijn bijzondere vragen want ze bestaan uit drie delen:
1) de man of vrouw die jou iets vraagt, zegt eerst iets over zichzelf, iets wat hij of zij zelf vindt of doet, bijvoorbeeld:
In mijn vrije tijd fiets ik veel.
Luister goed naar deze eerste zin, je kunt het gebruiken bij jouw eigen antwoord!

2) daarna vraagt hij of zij daarover iets aan jou, bijvoorbeeld:
Fietst u ook veel?
Hierop kan je een kort antwoord geven, waarbij je stukken uit de vraag kunt gebruiken! (Ja, ik fiets ook veel / Nee, ik fiets niet veel / Nee, ik fiets nooit.)
3) en tot slot vraagt hij of zij nog iets meer daarover, bijvoorbeeld:
Vertel ook waarom u wel of niet fietst.
Hierop moet je ook een antwoord geven, let hierbij goed op het vraagwoord dat je hoort! (waarom? welke? hoe vaak? wat voor? hoeveel? hoe?)

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– kijk goed naar de drie delen die je in elke vraag ziet;
– probeer ze nu te beantwoorden;
– geef jezelf 15 seconden de tijd om de vraag te beantwoorden.
– wil je de zinnen een keer met mij in de les oefenen, vraag me dan!

Veel succes!

Wanneer je de vragen nog erg moeilijk vindt, dan is het nog te vroeg om ze te oefenen. Wacht dan nog even met het beantwoorden en probeer het over een paar maanden nog eens. Je hebt nog tijd genoeg voor je examen!

0. In mijn vrije tijd fiets ik veel. Fietst u ook veel? Vertel ook waarom u wel of niet fietst.

1. Ik haal altijd op vrijdagavond boodschappen. Wanneer haalt u boodschappen en wat haalt u dan allemaal? Of bij wie?

2. Ik heb mn huis modern ingericht. Hoe heeft u uw huis ingericht? Vertel ook waarom u dat zo gedaan heeft.

3. Ik wil later in Spanje gaan wonen. Dat is mijn ideale land. Wat is uw ideale land? En vertel ook waarom.

4. Ik ben wel eens boos. Bent u ook wel eens boos? In welke situaties of wanneer bent u boos?

5. Ik neem elke dag muesli en fruit bij mijn ontbijt. En ik drink ook thee. Wat neemt u bij uw ontbijt?

6. Amsterdam is de hoofdstad van Nederland. Er zijn veel kanalen/grachten en ook veel musea in Amsterdam. Wat kunt u vertellen over de hoofdstad van uw eigen land?

7. Sommige mensen hebben een vakantiehuis. Waar zoudt u een vakantiehuis willen hebben en vertel ook waarom juist daar.

8. Veel Nederlanders hebben een of meer huisdieren. Hebt u ook huisdieren? Vertel ook waarom u wel of geen huisdieren hebt.

9. Als ik op vakantie ga, slaap ik het liefst in een duur hotel. Waarheen gaat u het liefst op vakantie en vertel ook waarom u dat leuk vindt.

10. Gaat u wel eens op reis naar een mooie stad? En welke stad vindt u een mooie stad? En hoe gaat u naar die stad?

11. Ik vier mijn verjaardag het liefst met vrienden en familie. Wat doet u op uw verjaardag?

12. Ik gebruik mijn telefoon heel vaak. Waarvoor gebruikt u uw telefoon?

13. In Nederland regent het heel vaak. Wat vindt u daarvan? En hoevaak regent het in het land waar u geboren bent?

14. Ik vind het leuk om cadeautjes te krijgen. Vindt u het ook leuk om cadeautjes te krijgen? Vertel ook wat u het leukst vindt om te krijgen.

15. Ik woon in Rotterdam. In welke stad woont u nu? En sinds wanneer woont u daar?

Advertenties