maak een vraagzin!

Hieronder staan 20 “gewone” Nederlandse zinnen. Ze beginnen met het onderwerp (hij, zij, jij, ik, moeder, de kinderen, de vrouw enz. ……) en daarna komt de persoonsvorm (het enige vervoegde werkwoord dat bij het onderwerp hoort), tot slot komt de rest van de zin.

Opdracht:
Maak van de zinnen hieronder telkens een vraagzin. Dat is een zin met een vraagteken (=?) op het eind.
Als je de zinnen een keer wilt oefenen in de les, vraag me er dan naar.

Veel succes!

1. Moeder koopt veel boodschappen.
2. De kinderen eten elke dag pasta!
3. Badria heeft een feest met Sinterklaas.
4. De zussen gaan mee naar het dorp.
5. Hassan moet elke dag werken.
6. Sadia gaat naar het ziekenhuis.
7. Emma fietst elke dag naar school.
8. Ronald gaat elke dag met de tram.
9. Britta maakt een mooie tekening.
10. Pascal schrijft veel nieuwe woorden.
11. Erna leert elke avond Nederlands.
12. De kinderen gaan wandelen.
13. De mannen werken hard.
14. Moeder kookt elke dag soep.
15. Ahmed heeft een konijn.
16. Henk gaat op de fiets naar het werk.
17. De meisjes gaan samen koffie drinken.
19. Esther gaat met de trein naar Utrecht.
20. Nadia haalt boeken bij de bibliotheek.

Advertenties