praten op jouw examen

Voor mijn leerlingen!

Hieronder zie je 16 vragen (met dank aan Ad Appel). Het zijn vragen zoals ze op jouw inburgeringsexamen spreekvaardigheid ook kunnen worden gesteld.

Het zijn bijzondere vragen want ze bestaan uit drie delen:
1) de man of vrouw die jou iets vraagt, zegt eerst iets over zichzelf, iets wat hij of zij zelf vindt of doet, bijvoorbeeld:
In mijn vrije tijd fiets ik veel.
Luister goed naar deze eerste zin, je kunt het gebruiken bij jouw eigen antwoord!

2) daarna vraagt hij of zij daarover iets aan jou, bijvoorbeeld:
Fietst u ook veel?
Hierop kan je een kort antwoord geven, waarbij je stukken uit de vraag kunt gebruiken! (Ja, ik fiets ook veel / Nee, ik fiets niet veel / Nee, ik fiets nooit.)
3) en tot slot vraagt hij of zij nog iets meer daarover, bijvoorbeeld:
Vertel ook waarom u wel of niet fietst.
Hierop moet je ook een antwoord geven, let hierbij goed op het vraagwoord dat je hoort! (waarom? welke? hoe vaak? wat voor? hoeveel? hoe?)

– Lees eerst de vragen een keer helemaal door;
– begrijp je alle vragen? Wanneer niet, vraag mij erover!;
– kijk goed naar de drie delen die je in elke vraag ziet;
– probeer ze nu te beantwoorden;
– geef jezelf 15 seconden de tijd om de vraag te beantwoorden.

Veel succes!

Wanneer je de vragen nog erg moeilijk vindt, dan is het nog te vroeg om ze te oefenen. Wacht dan nog even met het beantwoorden en probeer het over een paar maanden nog eens. Je hebt nog tijd genoeg voor je examen!

1)
In mijn vrijetijd fiets ik veel. Fietst u ook veel? Vertel ook waarom u wel of niet veel fietst.
2)
Ik lees vaak en graag een boek. Leest u ook wel eens een boek? En welke boeken vindt u dan leuk of interessant?
3)
Ik kijk veel TV, bijna elke dag. Hoe vaak kijkt u TV? En welke programma’s vindt u het mooist?
4)
Ik heb als hobby fietsen en wandelen. Wat heeft u voor een hobby? En hoe vaak bent u met uw hobby bezig?
5)
Ik ga graag naar de bioscoop om een film te kijken. Gaat u graag naar een bioscoop? En welke films vindt u dan mooi/goed/interessant?
6)
Ik ga graag naar de bioscoop om een film te kijken. Gaat u ook wel naar een bioscoop? Als u niet gaat, waarom gaat u dan niet?
7)
Ik werk 3 dagen per week. Werkt u ook? Wat voor werk doet u en vindt u het leuk?
8)
Ik werk 3 dagen per week en houd erg van mijn werk. Werkt u ook? Als u niet werkt, wat zou u dan graag voor werk willen doen en hoeveel dagen per week?
9)
Nederland heeft heel veel politieke partijen. Dat is best belangrijk in een democratie. Kent u een paar politieke partijen? En vindt u een democratie belangrijk en waarom?
10)
Nederland heeft een koning en een koningin. Heeft uw land ook een koning? En weet u ook hoe we zo’n land met een koning noemen?
11)
Amerika heeft een president. Ik heb liever een Koning. Wat heeft uw land, een koning of een president? En hoe heet een land met een president?
12)
Ik ga wel eens naar het theater in het weekend. Wat doet u wel eens in het weekend? En waarom doet u dat?
13)
Ik zit op tennis. Zit u ook op een sportvereniging en kunt u vertellen waarom wel of niet?
14)
Ik heb thuis een tuin. Ik ben graag bezig in de tuin. Heeft u ook een tuin? Als u een tuin heeft, vindt u dat dan leuk of niet leuk? En waarom?
15)
Ik heb thuis een tuin. De tuin is mijn hobby. Heeft u ook een tuin? Als u géén tuin heeft, vindt u dat dan jammer of niet jammer? En waarom?
16)
Ik kom veel in de bibliotheek. Lezen is mijn hobby. Wat is uw hobby en bent u daar vaak mee bezig?

 

Advertenties