oefenen met 4 werkwoorden -3

Voor mijn leerlingen!

We gaan deze keer oefenen met de werkwoorden:

hangen
ik hang
jij hangt
hang jij?
hij/zij hangt
wij hangen
jullie hangen
zij (mv) hangen
verwijderen
ik verwijder
jij verwijdert
verwijder jij?
hij/zij verwijdert
wij verwijderen
jullie verwijderen
zij (mv)verwijderen
zitten
ik zit
jij zit
zit jij?
hij/zij zit
wij zitten
jullie zitten
zij (mv) zitten
zien
ik zie
jij ziet
zie jij?
hij/zij ziet
wij zien
jullie zijn
zij (mv) zien

– als je de werkwoorden hierboven geleerd hebt, probeer je de oefening hieronder te maken, zonder hierboven naar de werkwoorden te kijken! Vul in elke zin de goede vorm van het werkwoord in, dus bijvoorbeeld: ik hang, wij verwijderen, het meisje zit, de vrouwen zien;
– lees de oefening daarna een paar keer door, zodat je het mooi kunt lezen;
– als je een woord niet kent, vraag het dan aan mij. Veel succes!

Vul een werkwoordvorm in van HANGEN:
Ik ________ mijn jas aan de kapstok.
Hij _________ de sleutel in het sleutelkastje.
Morgen ____________ de mannen de schilderijen aan de wand.
De spiegel ________ boven de wasbak in de WC.
___________ jullie je tassen even aan de haak?
De schommel __________ aan een houten balk.

Vul een werkwoordsvorm in van VERWIJDEREN:
_______________ jij het oude bestand van de PC?
Dat formulier is oud. ____________ jij het uit de map?
De man ______________ alle vuil van de straat.
Na de herfst _______________ wij de bladeren uit de tuin.
De hulp _____________ de rotte groente uit de koelkast.

Vul een werkwoordsvorm in van ZITTEN
De kinderen _____________ op de basisschool.
Het vogeltje __________ in de tuin op een boomtak.
In welke groep _________ jouw zusje?
Wij ___________________ allemaal op de bank te praten.
__________________ jullie vaak buiten in de tuin?
Moeder is weg. Waar ___________ ze nu?

Vul een werkwoordsvorm in van ZIEN
Wij ______________ door de bomen het bos niet meer!
Het meisje ____________ er niet uit! Haar haren zitten in de war.
___________ jij het goed? Of zit ik ervoor?
Ik __________ alles, ik zit op de eerste rij.
_____________ jullie dat programma op TV ook altijd?
De vrouw ____________ slecht. Ze draagt een zware bril.
De mensen ____________ niets, het is pikkedonker

Als dit heel gemakkelijk gaat, maak dan nog eens twee zinnen met elk van de werkwoorden. Geef de zinnen aan mij en ik kijk ze voor je na!

Wil je het geleerde over werkwoorden nogeens herhalen of andere werkwoorden beter leren, klik dan op deze link.

Advertenties