het is druk op straat

Voor mijn leerlingen!

We gaan weer samen PRATEN :)). We gaan vertellen wat we zien op deze “praatplaat”. De praatplaat gaat over het verkeer. Verkeer is het woord voor alles wat beweegt op de straat, op de stoep of op de snelweg. Dus de bus, de auto en de taxi die rijden. De voetganger die loopt en de fietser die fietst. Ook een verkeerslicht, een zebrapad en verkeersborden horen bij het verkeer.
Onder de praatplaat staan weer een heleboel woorden en zinnen om je te helpen. Maar je mag natuurlijk ook andere zinnen maken. Er je leert nieuwe woorden.

er is veel verkeer op straat - zeggen wat je ziet (c) thinglink.com

boven
linksboven – rechtsboven
links – in het midden – rechts
linksonder – rechtsonder
onder
—-
linksboven:
De fiets staat in het fietsenrek.
De jongen loopt op de stoep.
Drie mensen komen uit de metro.
Er rijdt een bus op straat.
De bus stopt voor het stoplicht.
De bus stopt bij de bushalte.
Twee mensen wachten op de bus.
Er zitten twee mensen in het bushokje.
Er zitten twee mensen bij de bushalte.

in het midden, boven:
De blauwe auto stopt voor het stoplicht.
De gele taxi stopt.
De man stapt in de taxi.
Een mevrouw en een kind steken over.
Een mevrouw met kind lopen over het zebrapad.
Er loopt een mevrouw op de stoep.
De mevrouw loopt achter een kinderwagen.

rechtsboven:
Er rijdt een rode auto in de straat.
Er speelt een jongetje op straat.
Er loopt een meisje op de stoep.
Er zijn twee bloembakken op de stoep.
De bloembak staat naast de deur.
Er is een terras op de stoep.
Twee kinderen wachten bij het stoplicht.

in het midden:
Een kind op de fiets steekt over.
Er loopt een man met een hond.
Ik zie een kruising. Er is een kruising.
Twee vogels vliegen over de kruising.
Er rijdt een politieauto.
Er rijdt een groene auto op straat.
Een man en een vrouw lopen op de stoep.
Er loopt ook een kind op de stoep
De man draagt een tas.
Er rijdt een rode auto op straat.
Het stoplicht staat op groen.

Linksonder:
Er staan twee bankjes op de stoep.
Naast het bankje staat een afvalbak.
Er zitten mensen op de bank.
Er staat een kinderwagen op de stoep.
De kinderwagen staat voor de mensen.
Er is een groenstrook (=gras met planten of bloemen). Er is gras.
Er staan bloemen in het gras.
Er staat een boom in het gras.
Er fietsen drie mensen op de straat.

Rechtsonder:
Achter de auto rijdt een motor.
Er loopt een kind met een bal voor de auto.
De kinderen spelen op de stoep.
Er fietsen kinderen op de stoep.
Er zitten twee vogels op de stoep.
———
Hoeveel stoplichten zie je?
Hoeveel auto’s zie je op straat?
Zijn er veel of weinig mensen op straat?
Wat doen de kinderen op de stoep?
Wat kan je vertellen over het huis rechts op de plaat?
Wat zie je in de straat rechtsboven op de plaat?
Wat zie je bij de groenstrook linksonder?

Advertenties