in de klas

Voor mijn leerlingen!

We gaan vandaag PRATEN over deze “praatplaat”. Een praatplaat is een foto, een tekening of een poster met heel veel dingen en mensen erop.
Je gaat nu proberen om in het Nederlands te zeggen wat je allemaal ziet. Onder de praatplaat staan woorden en zinnen om je te helpen. Probeer deze woorden en zinnen uit je hoofd te leren, zodat je ze gemakkelijk kunt gebruiken.

in de klas - zeggen wat je ziet (c) vocabwilleasy.info, gevonden op lh5.ggpht.com

1. de juf, de docente, de juf schrijft op het bord, de docente heeft een boek, de docent staat voor het bord, de juf staat voor in de klas;
2. de meester, meneer, de docent, de docent vertelt iets aan de leerling, de docent wijst in het boek, de docent legt iets uit;
3. het meisje, de leerling, het meisje heeft lang haar;
4. de schoolbank, het tafeltje, de kleine tafel, de jongen zit aan de tafel, er ligt een rekenmachine op de tafel, er ligt een liniaal op de tafel, de jongen schrijft;
5. de stoel;
6. de tafel, de computertafel, er zit een jongen aan de tafel, er zit een leerling voor de computer, er ligt een muis op tafel, er staat een printer op tafel;
7. de computer, de PC;
8. de overhead projector;
9. het scherm;
10. het schoolbord, krijt, de docente schrijft op het bord, de borstel;
11. de klok, de klok hangt aan de muur;
12. de wereldkaart, de kaart met de wereld erop, de kaart hangt aan de muur;
13. het prikbord;
14. de muziekbox, de box, de intercom; je hoort een mededeling, je hoort de bel;
15. het whiteboard, je kunt schrijven op een whiteboard, je gebruikt stiften voor een whiteboard, de borstel, je maakt schoon met de borstel;
16. de wereldbol, de aardbol, de globe, je kunt alle landen aanwijzen, je kunt alle landen op de wereld zien, de wereldbol staat op de boekenkast;
17. de boekenkast, er staan boeken in de kast, er liggen boeken in de kast, de boekenkast staat in de hoek, er staat een puntenslijper op de boekenkast;
18. het bureau, de grote tafel, het bureau van de docente, er ligt een papier op het bureau, er staan pennen in een pennenhouder, er staan pennen op het bureau, er ligt een potlood op het bureau, er staan boeken op het bureau, er ligt een boek open op het bureau, er staat een naambordje op het bureau, er ligt een onderlegger op het bureau;
19. de prullenbak, de afvalbak, er ligt papier in de prullenbak;

Welke kleur heeft de wand?
Welke kleur heeft de vloer?
Hoeveel mensen zie je?
Hoeveel leerlingen zie je?
Hoeveel docenten zijn er in de klas?
Wat ligt er op de vloer?
Wat draagt de juf of docente?
Wat draagt de meester, meneer of docent?
Wat hebben de leerlingen aan?
Hoe zien de stoelen van de leerlingen eruit?
Zijn alle stoelen die je ziet, hetzelfde?
Wat voor haar hebben de mensen in de klas?

 

Advertenties