leren

De werkwoordvervoegingen:

ik leer
jij leert
hij/zij/het leert
wij/jullie/zij leren

Zinnen met het werkwoord leren:

’s Avonds leer ik in het boek.
Ik leer tot ongeveer 22.00 uur.
Ik leer Nederlands en maak huiswerk.
Mijn zussen leren op de laptop.
Mijn vrienden en ik leren samen.

Advertenties