halen

De werkwoordvervoegingen:

ik haal
jij haalt
hij/zij/het haalt
wij/jullie/zij halen

Zinnen met het werkwoord halen:

Ik haal mijn zusje uit school.
Mijn moeder haalt de boodschappen.
Ik haal de krant.
Ik haal groente in het dorp.
’s Zaterdags halen wij samen boodschappen.

Advertenties