gaan

De werkwoordvervoegingen:

ik ga
jij gaat
hij/zij/het gaat
wij/jullie/zij gaan

Vragen en antwoorden met het werkwoord gaan:

Ik ga naar het centrum.
Ik ga naar de stad.
Ik ga voetbal spelen.
Daarna ga ik naar huis.
Ik ga douchen.
Daarna ga ik TV kijken.
Na het TV kijken ga ik naar bed.
Ik ga om 20.00 uur leren.
Ik ga om ongeveer 24.00 uur naar bed.
Ik ga naar vrienden.
Op donderdag ga ik naar mijn moeder.

Nederlanders zeggen ook:

Ik ga leren.
Ik ga slapen.
Ik ga douchen.
Ik ga TV kijken.
(Dit betekent: Je leert, slaapt, doucht, kijkt nu nog niet, maar wilt dat hierna, zo dadelijk, gaan doen!)

Bekijk de volgende zinnen goed en let op de omdraaiing die je ziet in de zinnen. We praten in de les een keer over deze omdraaiing.:

Ik ga naar huis.
Daarna ga ik naar huis.

Ik ga naar school.
Op vrijdag ga ik naar school.

Ik ga naar het centrum.
Daarna ga ik naar het centrum.

Advertenties