doen

Voor mijn leerlingen!

De werkwoordvervoegingen:

ik doe
jij doet
hij/zij/het doet
wij/jullie/zij doen

Zinnen met het werkwoord doen:

Ik doe boodschappen bij de Lidl.
Mijn zusje doet
de afwas na het eten.
Ik doe de was op maandag.
Ik doe mijn groente in de koelkast.

Wat doe jij op zaterdag?
Wat doe jij daarna?
Wat doen jij en jouw vrienden allemaal?
Wat doen jullie altijd op zondag?
Wij doen het huis = Wij maken het huis schoon.

Advertenties