wachten

Voor mijn leerlingen!

De werkwoordvervoegingen:

ik wacht
jij wacht
hij/zij/het wacht
wij/jullie/zij wachten

Vragen en antwoorden met het werkwoord wachten:

Op wie wacht jij?
Ik wacht op mijn zus.

Hoelang wacht jij al op de bus?
Ik wacht al een kwartier op de bus!

Waarom wacht Nadia bij de kassa?
Nadia wacht bij de kassa omdat het druk is.

Waarom wacht de jongen bij de deur?
De jongen wacht bij de deur omdat zijn vriend zo komt.

Waar wachten jullie op?
Wij wachten op de tram.

Wachten jullie al lang?
Ja, wij wachten al 10 minuten op de tram.
Nee, wij wachten nog maar 1 minuut.

Op wie wachten de jongen en het meisje?
De jongen het het meisje wachten op de moeder.

Waar wachten jullie bij de dokter?
Bij de dokter wachten wij in de wachtkamer.

Waarom wacht Nadr bij de school?
Nadr wacht bij school op zijn kleine zusje.

Wacht jij al lang op jouw afspraak?
Ja, ik wacht al een half uur!
Nee, ik wacht nog maar net.

Op wie wacht de man?
De man wacht op zijn vriendin.

Op wie wachten wij nog?
Wij wachten nog op Nadia.

Nederlanders zeggen:

Wachten duurt lang! (= het is vervelend, saai).
Wachten tot je een ons weegt (= héél erg lang wachten)
of
Wachten tot je aan de beurt bent.
Wachten voor een stoplicht.
Ik sta in de rij te wachten.

Hier ga je naar de werkwoordenlijst

Advertenties