wonen

Voor mijn leerlingen!

De werkwoordvervoegingen:

ik woon
jij woont
hij/zij/het woont
wij/jullie/zij wonen

Vragen en antwoorden met het werkwoord wonen:

Waar woon jij?
Ik woon in Klapwijk.

Waar wonen jouw broers en zussen?
Mijn broers en zussen wonen ook in Klapwijk.

Wonen jullie in een groot huis? (ja……)
Ja, wij wonen in een groot huis.

Woont jouw familie ook in een groot huis? (nee……)
Nee, mijn familie woont klein.
Nee, mijn familie woont in een appartement.

Waar woont jouw broer?
Mijn broer woont in een rijtjeshuis.

Wonen in de stad veel of weinig mensen?
In de stad wonen veel mensen.

Woon jij in een stad of een dorp?
Ik woon in een dorp.

Hoelang woon jij al in jouw dorp?
Ik woon al twee jaar in mijn dorp.

Woon jij leuk? (ja……)
Ja, ik woon leuk. (Ik heb een mooi huis.)

Waar woont jouw moeder, in de stad of in een dorp?
Mijn moeder woont ook in een dorp.

Woont zij al lang in het dorp?
Ja, zij woont al 6 jaar in het dorp.

Hoe woont jouw broer?
Mijn broer woont alleen, in een rijtjeshuis.

Waar wonen jouw broer en zus? (in de stad…..)
Mijn broer en zus wonen in de stad.

Waarom wonen Nadia en Ahmed in de stad? (studeren….)
Nadia en Ahmed wonen in de stad omdat zij studeren.

Hier ga je naar de werkwoordenlijst.

Advertenties