komen

Voor mijn leerlingen!

De werkwoordvervoegingen:

ik kom
jij komt
hij/zij/het komt
wij/jullie/zij komen

Vragen en antwoorden met het werkwoord komen:

Uit welk land komen jullie?
Wij komen uit Somalië.

Waar komt jouw tante vandaan?
Mijn tante komt uit Ethiopië / Mogadishu / Kenia….

Wanneer kom je uit bed?
Ik kom ’s morgens uit  bed.

Wie komt er de klas binnen?
De juf komt de klas binnen.
De leerlingen komen de klas binnen.

Wie komt daar binnen?
 Ahmed komt binnen

Wie komt daar uit de tram?
Nadia komt uit de tram.

Wie komt daar het huis binnen?
Mijn zusje komt het huis binnen.

Komen er veel vrienden op jouw verjaardag? (ja…..)
Ja, er komen veel vrienden.

Wie komt er nog meer op bezoek?
De buurman komt ook op bezoek.

Hoe laat komt moeder thuis?
Moeder komt om 20.00 uur thuis.

Hoe laat komen de zusjes uit school?
De zusjes komen om 12.00 uur uit school.

Wanneer komt de bus?
De bus komt over 5 minuten.

Komen jullie zondag ook?
Ja, goed, wij komen.
Nee, wij komen niet, wij hebben geen tijd.

Wie komen er zaterdag bij jullie?
Mijn vriendinnen komen zaterdag bij ons.

Komen hun vrienden ook mee? (Nee…..)
Nee, hun vrienden komen niet, zij blijven thuis.

Hier ga je naar de werkwoordenlijst.

 

Advertenties