1 meervoud, 2 meervouden ;)

(c) www.klascement.beVoor mijn leerlingen!

Vandaag gaan we het hebben over het vormen (=maken) van een meervoud in het Nederlands. Zelfstandige naamwoorden kan je in het meervoud zetten.
Vóór een zelfstandig naamwoord kan je de, het of een zetten. Een zelfstandig naamwoord is een ding, een dier of een mens. Bijvoorbeeld het huis, de koe of de jongen.

Wanneer er van een zelfstandig naamwoord maar één is, dan noemen we dat enkelvoud. Bijvoorbeeld wij hebben maar één huis. Huis noemen we dan enkelvoud. Nu staan er vijf huizen in de straat. Huizen noemen we dan meervoud. We zeggen daarom: het meervoud van huis is huizen.

De Nederlandse taal heeft een paar regels om meervouden te vormen.

Regels zijn heel leuk en makkelijk maar het is echt het allerbeste om heel veel te oefenen en steeds weer opnieuw de meervouden te schrijven. Je hoeft dan niet meer na te denken over de regel maar maakt vanzelf het goede meervoud!

In de rijtjes hieronder staan alle zelfstandige naamwoorden met hun meervouden uit de eerste tien lessen van het boek. In een van de volgende berichten komen daar ook de woorden uit de andere lessen nog bij.

Regel 1: achter de meeste zelfstandige naamwoorden zet je: -en:

enkelvoud meervoud
1. de bank
2. het boek
3. de gang
4. de deur
5. de tuin
6. het dak
7. de lift
8. het papier
9. de leerling
10. de toets
11. het woord
12. de universiteit
13. de punt
14. de dag
15. de middag
16. de maand
17. de avond
18. de nacht
19. het weekend
20. de nicht
21. het paspoort
22. de vriend
23. het land
24. de mens
25. de woonplaats
26. het gezicht
27. de arm
28. de tand
29. het formulier
30. de leeftijd
31. het huwelijk
32. de buik
33. het hoofd
34. de wang
35. de tong
36. het hart
37. de hand
38. de mond
39. de voet
40. de markt
41. de handschoen
42. de trui
43. de hoed
44. de schoen
45. de jurk
46. de ring
47. de broek
48. de vloer
49. de bloem
50. de stoel
51. de handdoek
52. de plant
53. de kast
54. de lamp
55. het gordijn
de banken
het boeken
de gangen
de deuren
de tuinen
de daken
de liften
de papieren
de leerlingen
de toetsen
de woorden
de universiteiten
de punten
de dagen
de middagen
de maanden
de avonden
de nachten
de weekenden
de nichten
de paspoorten
de vrienden
de landen
de mensen
de woonplaatsen
de gezichten
de armen
de tanden
de formulieren
de leeftijden
de huwelijken
de buiken
de hoofden
de wangen
de tongen
de harten
de handen
de monden
de voeten
de markten
de handschoenen
de truien
de hoeden
de schoenen
de jurken
de ringen
de broeken
de vloeren
de bloemen
de stoelen
de handdoeken
de planten
de kasten
de lampen
de gordijnen

Regel 1a: bij een -s op het eind van een woord eindigt het meervoud op –zen:

enkelvoud meervoud
1. de laars
2. het huis
3. het warenhuis
4. de neus
5. de hals
6. de vaas
de laarzen
de huizen
de warenhuizen
de neuzen
de halzen
de vazen

Regel 1b: bij een -f op het eind van een woord eindigt het meervoud op –ven:

enkelvoud meervoud
1. de brief
2. de neef
de brieven
de neven

Regel 2: achter een zelfstandig naamwoord van meer dan 1 lettergreep dat eindigt op -e, -el, -en, -er, -em, of -ie zet je: -s:
(Ik leg je in de les nog eens uit wat een lettergreep precies is.)

enkelvoud meervoud
1. de wafel
2. de lepel
3. de slaapkamer
4. de badkamer
5. de woonkamer
6. de keuken
7. de letter
8. het examen
9. het vraagteken
10. de morgen (= ochtend)
11. de moeder
12. de tante
13. het meisje
14. de vader
15. de familie
16. de dochter
17. de jongen
18. de Nederlander
19. de buitenlander
20. de postcode
21. de vinger
22. de portemonnee
23. de koffer
24. de zolder
25. de kelder
26. de spiegel
27. de lade (=de la)
28. de garage
29. de tafel
30. de sleutel
de wafels
de lepels
de slaapkamers
de badkamers
de woonkamers
de keukens
de letters
de examens
de vraagtekens
de morgens (= ochtenden)
de moeders
de tantes
de meisjes
de vaders
de families
de dochters
de jongens
de Nederlanders
de buitenlanders
de postcodes
de vingers
de portemonnees
de koffers
de zolders
de kelders
de spiegels
de lades
de garages
de tafels
de sleutels

Regel 3: achter een zelfstandig naamwoord dat eindigt op é of eau zet je -s:

enkelvoud meervoud
1. het cadeau
2. het café
de cadeaus
de cafés

Regel 4: achter een zelfstandig naamwoord dat eindigt op –a, -i, -o, -u of -y zet je: -‘s:

enkelvoud meervoud
1. de paraplu
2. de hobby
3. de baby
4. de foto
5. de agenda
6. de opa
7. de oma
8. de radio
de paraplu’s
de hobby’s
de baby’s
de foto’s
de agenda’s
de opa’s
de oma’s
de radio’s

Regel 5: achter een afkorting zet je:-‘s, als de afkorting eindigt op –s of -x dan zet je: -‘en:
(Ik leg je in de les nog eens uit wat een afkorting ook al weer is.)

enkelvoud meervoud
1. de tv
2. de wc
3. de gps
de tv’s
de wc’s
de gps’en

Regel 6: bij een open lettergreep
Hier is er bij enkelvoud een lange klank te horen, zoals de naam van de alfabetletter is: aa, ee, oo, uu. Er staan dan ook twee klinkers. Bij het meervoud staat er nog maar één klinker aan het eind van de lettergreep:
(Ik leg je in de les precies uit wat een open lettergreep is.)

enkelvoud meervoud
1. het raam
2. de naam
3. de voornaam
4. de achternaam
5. de muur
6. de school
7. de vraag
8. het potlood
9. de leraar
10. de week
11. het jaar
12. de zoon
13. het haar
14. de persoon
15. de nationaliteit
16. het lichaam
17. het been
18. het oog
19. de teen
20. het oor
21. de schuur
22. de kraan
de ra-men
de na-men
de voorna-men
de achterna-men
de mu-ren
de scho-len
de vra-gen
de potlo-den
de lera-ren
de we-ken
de ja-ren
de zo-nen
de ha-ren
de perso-nen
de nationalitei-ten
de licha-men
de be-nen
de o-gen
de te-nen
de o-ren
de schu-ren
de kra-nen

Regel 7: bij een gesloten lettergreep
Hier is er bij enkelvoud een korte klank te horen: à, è, ò, ù, i, en het woord eindigt op een medeklinker. Bij het meervoud komt er dan een verdubbeling van de medeklinker.
(Ik leg je in de les precies uit wat een gesloten lettergreep is.)

enkelvoud meervoud
1. de trap
2. de zin
3. de lip
4. het gezin
5. de tas
6. de pen
7. de klas
8. de zus
9. de vriendin
10. het adres
11. de nek
12. de rug
13. de pet
14. de sok
15. de jas
16. de rok
17. het bed
de trappen
de zinnen
de lippen
de gezinnen
de tassen
de pennen
de klassen
de zussen
de vriendinnen
de adressen
de nekken
de ruggen
de petten
de sokken
de jassen
de rokken
de bedden

Regel 8: een zelfstandig naamwoord dat eindigt op -heid, eindigt in het meervoud op –heden:

enkelvoud meervoud
1. de waarheid de waarheden

Regel 9: een zelfstandig naamwoord met in het meervoud -eren erachter:

enkelvoud meervoud
1. het kind
2. het kleinkind
de kinderen
de kleinkinderen

Regel 10: een zelfstandig naamwoord met in het meervoud -ën erachter:
Ligt de klemtoon op de laatste lettergreep dan komt -ën erachter, is dit niet het geval dan komt het trema (=”) op de e van het enkelvoud en zet je er alleen een -n achter.
(Ik leg dit in de les nog een keer uit.)

enkelvoud meervoud
1. de knie
2. de olie
de knieën
de oliën

En dan zijn er natuurlijk in het Nederlands een heleboel uitzonderingen:

enkelvoud meervoud
1. de flat
2. de datum
3. de geboortedatum
4. de oom
5. de broer
6. de t-shirt
7. het balkon
de flats
de data
de geboortedata
de ooms
de broers
de t-shirts
de balkons
Advertenties